Hobbels in weg naar Europese eenwording

Jarenlang is Nederland als het om Europa ging beschreven als een stilstaand water. Zelfs toen onmiddellijk na de ondertekening van het Verdrag van Maastricht de altijd Europa-trouwe Duitsers om gingen en zich rondom de heilige mark schaarden, bleef de Delta zwijgend toezien.

Was de gulden niet gekoppeld aan de mark, was Nederland niet het meest berekenbare lid van de markzone en gold de oude spreuk nog wel: als Duitsland niest is Nederland snipverkouden? Het was alsof de Nederlanders onaanraakbaar waren voor de tijdgeest van groeiende reserve tegenover alles wat Europees was. En zich geen zorgen meer maakten over wat er achter de oostgrens gebeurde.

Maar geleidelijk aan, onder de indruk van de uitslagen van de referenda in Denemarken en Frankrijk, begonnen zich ook hier monden te roeren over nut en onnut van de Europese integratie. Als de Denen 'Maastricht' afwezen en de Franse reactie op de schepping van de Europese Unie dubbelzinnig kon worden genoemd, dan moest er toch iets met het vernieuwde Europa niet in orde zijn.

Critici begonnen de vaderlandse identiteit ijkpunt te noemen voor de beoordeling van Europese blauwdrukken en regelgeving. Het nationale belang werd van die kant gaandeweg in steeds striktere termen geduid - behoud van soevereiniteit kwam als doelstelling in plaats van communautaire, supranationale en federale afstemming.

Nederland is ook het land van de brede maatschappelijke discussies. Gebruik van atoomenergie, royale excuses aan Indonesië, Betuwelijn of uitbreiding van Schiphol, ze zijn aan de orde of eens aan de orde geweest. Maar de van tijd tot tijd gehoorde roep om een nationaal debat heeft meestal iets merkwaardigs. Het debat wordt doorgaans niet gezocht om bestaande onzekerheid te vervangen door meer kennis, inzicht en uiteindelijk consensus. Tot debat wordt opgeroepen door personen die het met de bestaande consensus niet (meer) eens zijn en die de gemiddeld grote groep van onverschilligen achter hun standpunt willen mobiliseren. Daar is niets verkeerds mee, maar het zogenaamde debat ontaardt op die manier al gauw in een woordenwisseling tussen doven, die leidt tot een eindeloze herhaling van argumenten. Maatschappelijk bepaald inzicht neemt eerder af dan toe.

Zo ook over Europa: de versnelling of afremming van de Europese integratie. Het is duidelijk dat grote delen van de politieke en ambtelijke elite erosie van de dynamiek van de Europese integratie als een gevaar voor de toekomst van Nederland zien. Om praktische redenen is het Haagse vizier omlaag geschroefd, maar tegelijkertijd blijkt uit verschillende voorstellen dat het klassieke federale model nog altijd als de maat der dingen wordt beschouwd. Als er zich een opening voordoet om delen van de Europese regelgeving te vergemeenschappelijken, grijpt officieel Nederland zijn kans. Uitlatingen als die van Bolkestein worden dan ook gevoeld als een dolkstoot in de rug, de scherpe reacties kunnen daaruit worden verklaard.

Intussen beginnen de gevolgen van wat met enige overdrijving het intellectuele discours zou kunnen worden genoemd wijdere kringen te trekken. Uit een deze week in NRC Handelsblad gepubliceerd opinieonderzoek blijkt dat de kritiek gehoor vindt. Meer respondenten dan voorheen kiezen tegen plannen tot verdere integratie of voor het maken van passen op de plaats. Van de personen die in de afgelopen tijd hun mening hebben bijgesteld, is het grootste deel naar het kamp der gereserveerden overgelopen. De voorlopige slotsom moet zijn dat de critici er beter in zijn geslaagd hun bezwaren voor het voetlicht te brengen dan dat de bestuurlijke elite succes boekt met het belichten van zijn argumenten en motieven.

Deze uitslag is des te opvallender, omdat een aantal factoren die in de buurlanden een negatieve(re) opstelling tegenover Europa kunnen helpen verklaren, in Nederland niet of in veel mindere mate aanwezig is. Het Deltamodel onderscheidt zich positief van de toestand in Duitsland, Frankrijk en België. De maatschappelijke herstructurering, waar de regeringen elders nog volop mee worstelen, is hier te lande al een heel eind gevorderd. Nederland kwalificeert zich voor EMU en euro, maar lijkt in een laat stadium zich de zorgen van anderen eigen te gaan maken.

De jongste enquête maakt een dergelijke analyse geloofwaardig. Op vragen over het Nederlandse lidmaatschap van de Europese Unie reageert nog altijd een duidelijke meerderheid positief, jongeren positiever dan ouderen, mannen positiever dan vrouwen. Het percentage 'weet niet' schommelt om de 15. Maar waar de vragen zich toespitsen op invoering van de euro en op de gevolgen daarvan worden de uitspraken negatiever of terughoudender. Het aantal niet-weters neemt toe en culmineert tot 41 procent bij beantwoording van de vraag of het de moeite waard is offers te brengen voor het voldoen aan de criteria voor invoering van EMU en euro. En dat in een land waar de offers al gunstige resultaten hebben opgeleverd.

Het ziet er naar uit dat het debat zoals dat tot dusver wordt gevoerd de helderheid rondom de problemen niet heeft vergroot en juist de verwarring heeft doen toenemen. Daarbij speelt de achtergrond waartegen het debat plaatsheeft een voorname rol. De opstellers van het Verdrag van Maastricht hebben met hun keuze voor een lange overgangsperiode alvorens de artikelen van het verdrag beleidsmatig in te vullen, een politiek risico genomen. Dit geldt temeer voor het, voor veranderingen in omstandigheden zo gevoelig gebleken, onderdeel van de monetaire eenwording.

De 'boosdoener' is de gekozen toepassing van de convergentietheorie. De economieën dienen naar elkaar toe te groeien alvorens tot instelling van een Economische en Monetaire Unie en een gemeenschappelijke munt kan worden overgegaan. Maar deze theorie wordt niet geacht zichzelf te bevestigen. Zij dient met op onderlinge afstemming gericht beleid een handje te worden geholpen. Omdat werd vermoed dat de tijdspanne niet voor alle lidstaten ruim genoeg was bemeten, werd alvast een optie genomen op de oprichting van een kernploeg die op zijn laatst vanaf 1999 vooruit zou gaan.

In de afgelopen jaren hebben zich tal van verstorende gebeurtenissen voorgedaan waarmee geen rekening was gehouden. Ook zijn blokkades zichtbaar geworden die over het hoofd waren gezien. Het publiek heeft dit alles nu verleid tot het aannemen van een afwachtende houding. Ook in Nederland. De politiek heeft zich door de feiten laten achterhalen.