High noon voor de Antiromein Livius over de oorlog met Hannibal

Titus Livius: Hannibal voor de poorten - De geschiedenis van Rome ('Ab urbe condita') XXIXXX. Vertaald uit het Latijn en toegelicht door Hedwig W.A. van Rooijen Dijkman. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 751 blz. ƒ 115,- (geb.); na 1 april ƒ 135,-

'De gedenkwaardigste oorlog ooit gevoerd,' noemde Titus Livius de bloedige strijd tussen de legers van de Carthaagse veldheer Hannibal en de Senaat en het Volk van Rome (218-202 vC). De Romeinse historicus, bepaald niet vies van patriottisch vertoon, overdreef een beetje. Hij wist heel goed dat zijn illustere Griekse voorgangers Herodotus en Thucydides hetzelfde hadden beweerd van de Perzische en de Peloponnesische oorlogen. Maar de Tweede 'Punische' Oorlog - zo genoemd omdat de Carthagers van Phoenicische afkomst waren - was voor de Romeinen inderdaad een ontluisterende en traumatische ervaring. Sinds het jaar 386, toen Rome geplunderd werd door de Galliërs, was de res publica niet zo ernstig bedreigd geweest. De opmars van Hannibal door Italië, en de drie-frontenoorlog die daarvan het gevolg was, betekende bijna het einde van het Imperium. Geen wonder dat de kreet 'Hannibal ante portas' ('Hannibal voor de poorten') door de geschiedbewuste Romeinen tot in lengte van dagen spreekwoordelijk gebruikt zou worden om te waarschuwen voor groot gevaar.

De oorlog met de zeemacht Carthago, de tweede binnen een kwart eeuw, betekende de ruwe onderbreking van de 'manifest destiny' die de Romeinen zichzelf toedichtten. Hun door de Goden gestelde taak was het veroveren en besturen van de wereld - en vijf eeuwen na de stichting van de stad (752 vC volgens de legenden) waren ze daarmee een eind op weg. Systematisch oorlog voerend, in steeds wijdere kringen rondom Rome, hadden ze Latium, Etrurië en Magna Graecia (Zuid-Italië) onder hun bewind gebracht. In 241, na de succesvol beëindigde Eerste Punische Oorlog, was Rome zelfs heer en meester geworden van Sicilië, Sardinië en de Noordoostkust van Spanje.

Maar toen kwam Hannibal, de geniale strateeg die volgens Livius als negenjarig jongetje in 237 officieel had gezworen 'dat hij zich zodra hij dat kon een vijand zou tonen van het Romeinse volk.' Als commandant van het Carthaagse bezettingsleger in Spanje verwoestte hij de Rome-vriendelijke stad Saguntum (220). Daarna trok hij met tienduizenden soldaten en enkele tientallen olifanten, de tanks van de Oudheid, over de Pyreneeën en de Alpen. Ondanks grote verliezen door de barre omstandigheden en guerrilla-tactieken van de bergbewoners wist Hannibal in Italië succesvol slag te leveren met de Romeinse legioenen. Hij overwon in de Po-vlakte, bij het Trasumeense Meer, en uiteindelijk bij Cannae in Zuid-Italië (216) - een slachting waaraan Livius enkele van zijn indrukwekkendste zinnen wijdde:

Lijkenveld

'Daar lagen dan al die duizenden Romeinen, infanteristen en ruiters, overal waar het toeval ze in de strijd of op de vlucht had verenigd. Midden uit het lijkenveld kwamen sommigen, met bloed overdekt, omhoog. De ochtendkoelte trok hun wonden samen en de pijn bracht hen weer bij bewustzijn, waarop ze door de vijanden alsnog gedood werden. (-) Ook werden er mannen gevonden met ingegraven hoofden; ze hadden blijkbaar kuilen voor zichzelf gegraven, hun gezichten met aarde bedekt en zo hun adem afgesneden.'

Het bovenstaande proza is afkomstig uit Hannibal voor de poorten, de stemmige maar fonkelende vertaling die de classica Hedwig W.A. van Rooijen-Dijkman maakte van boek 21 tot en met 30 van het geschiedwerk Ab urbe condita ('Vanaf de stichting van de stad') van Livius. Het is de eerste keer sinds 1646 dat Livius' verslag van de Tweede Punische Oorlog integraal in het Nederlands vertaald is; de afgelopen eeuwen beperkten de vertalers zich tot greatest hits als de Slag bij Cannae, de dood van Archimedes (neergehouwen omdat hij tijdens de plundering van Syracuse zijn meetkundige berekeningen probeerde te beschermen), of de liefdesintriges van de beeldschone Afrikaanse prinses Sophoniba. Van Rooijens titanenarbeid - meer dan 700 bladzijden tekst - verhoudt zich dan ook tot het fragmentarische vertaalwerk van haar voorgangers als Hannibals tocht over de Alpen tot een wandelingetje over het Forum.

Livius verdient het om in het Nederlands vertaald te worden; is het niet om zijn onderwerp (een wereldoorlog, de dreigende ondergang van een beschaving die deels de onze is geworden), dan wel om zijn stijl van geschiedschrijven. Zoals veel van zijn klassieke collegae is hij dol op drama en op anecdotes die zich in het geheugen beitelen; wie Hannibal voor de poorten uit heeft, is niet alleen op de hoogte van de manier waarop tijdens een veldslag de olifanten van Hannibal onklaar worden gemaakt (met een steek onder de staart, 'waar ze door hun zachte huid het meest kwetsbaar waren'), maar ook van het nachtelijk hoeren en snoeren van de machtige Macedonische koning Philippus V. En in ieder hoofdstuk zijn wel een paar formuleringen te vinden die zelfs sceptische middelbare scholieren - Livius is dit jaar 'kernauteur' op het examen Latijn - over de streep zullen trekken. Wat te denken van 'Aan de ene kant werden de gemoederen opgezweept door hoop, aan de andere door wanhoop'? of 'De nacht overviel de overwinnaars, nadat ze zich langer hadden afgemat met doden dan met vechten'?

Nog beroemder is Livius om zijn redevoeringen, of beter gezegd om de retorische hoogstandjes die hij de hoofdrolspelers uit zijn geschiedwerk in de mond legde. Hannibal, zijn Romeinse tegenstanders Scipio en Fabius de Treuzelaar, de woordvoerders van de legioenen en de bondgenoten van Rome - allemaal bepleiten ze hun zaak met een flux de bouche waar die van Churchill of Goebbels droog bij afsteekt. 'Geen land reikt tot de hemel en is onoverkomelijk voor de mens', zegt Hannibal in de indirecte rede wanneer hij zijn troepen de Alpen over moet praten. 'In benarde en weinig hoopvolle omstandigheden zijn de allermoedigste plannen het veiligst', zegt de veldheer die zijn legioenen tot een hopeloze aanval opzweept. En als de grote Scipio in het zicht van de eindoverwinning geconfronteerd wordt met een muiterij krijgt hij zijn troepen stil met een vernietigend 'papa is niet boos, papa is verdrietig' - althans vlammende woorden van gelijke strekking.

Erfgenaam

Tegenwoordig zou geen historicus zich meer wagen aan het componeren van redevoeringen om zijn reconstructie van het verleden te verfraaien. In de Oudheid, toen geschiedenis in de eerste plaats gezien werd als een literair genre, was het sinds Herodotus, of liever sinds Homerus, een conditio sine qua non. Ook in andere opzichten schikte de aartsconservatieve Livius - van wie niet veel meer bekend is dan dat hij in 59 voor Christus in Patavium (Padua) werd geboren en daar 76 jaar later stierf - zich in de traditie. Zo presenteerde hij zichzelf als erfgenaam van de klassieke annalistiek, de geschiedschrijving die zich formeel baseerde op de jaarboeken, 'annales', van de Romeinse hogepriesters. Zijn perspectief was dat van de heersende klasse, de senatorenstand, en zijn visie op het verleden was patriottistisch. 'Het zal mij voldoening schenken te hebben bijgedragen tot het bewaren van de herinnering aan de daden van het belangrijkste volk ter wereld', schreef hij in het voorwoord van Ab urbe condita. En: 'er heeft werkelijk nooit een volk bestaan dat groter of heiliger was, of rijker aan goede voorbeelden.' *)

Een historicus in de modern-wetenschappelijke zin van het woord is Livius niet; zijn parti pris, zijn geloof in wondertekens en zijn onbeholpen bronnenkritiek zijn algemeen bekend, en over het beroemde compliment van Dante ('Livio che non erra', 'Livius die geen fout maakt') wordt al sinds de negentiende eeuw geschamperd. Maar als stijlvol moralist is Livius onovertroffen. Zijn monumentale zinnen en zijn grote greep op zeven eeuwen Romeins verleden zijn een illustratie van wat hij in het voorwoord van zijn geschiedwerk aankondigt: 'Dit vooral is zo nuttig en heilzaam in de bestudering van de geschiedenis, dat je lering uit allerlei voorbeelden, als geboekstaafd op een illuster monument, voor je ziet. Daaruit kun je kiezen wat je terwille van jezelf en van je land wilt navolgen en wat je uit de weg wilt gaan.'*

Livius was een schoolmeester. Voor hem was de geschiedenis niet alleen een nationalistisch plaatjesboek (de vergelijking met de historische schoolplaten van Isings en Jetses dringt zich op), maar ook een verzameling stichtelijke exempla, levenslessen voor de in zijn ogen gedegenereerde Romeinen van zijn tijd, het vroege Keizerrijk. Net als uit de later geschreven Annales van Tacitus, rijst uit Ab urbe condita één prangende kwestie op: Hoe moet je zijn als Romein? Het antwoord wordt door Livius deels negatief geformuleerd: een echte Romein is niet als de naamloze krijgsgevangene van Hannibal die zich uit drang tot lijfsbehoud onder zijn woord uitdraait; en al helemaal niet als de plebejische consul Varro, die uit misplaatst eergevoel zijn troepen aanzet tot de hopeloze slag bij Cannae. De ideale Romein heeft het gezond verstand van de veldheer Fabius Maximus, die Hannibal ziedend maakt met zijn treuzeltactieken, en de dapperheid van commandant Gracchus, die zijn kameraden trouw is tot in de dood. Hij is godvruchtig en gedisciplineerd, daadkrachtig en mannelijk, vrijgevig en bereid om de eigen fouten in te zien en ervan te leren.

Alle goede, in de ogen van Livius typisch Romeinse eigenschappen zijn verenigd in de held en overwinnaar van de Tweede Punische Oorlog: Publius Cornelius Scipio, die na zijn overwinning op Hannibal in 202 de bijnaam Africanus zou krijgen. Deze edelman, zoon van de Scipio die in 212 tegen de Carthagers was gesneuveld, kreeg op 24-jarige leeftijd het opperbevel over de legioenen in Spanje en werd zeven jaar later consul, lang voordat hij daar de voorgeschreven leeftijd voor had. Door de Senaat, de Volksvergadering én zijn manschappen werd hij op handen gedragen, volgens Livius omdat hij 'niet alleen bewonderenswaardig was door echte kwaliteiten, maar ook van jongs af de kunst verstond ze te demonstreren.' Scipio, met andere woorden, was behalve de ideale Romein ook een meester in public relations.

Onmenselijke wreedheid

Een beeld van perfectie heeft een contrast nodig om het beter te doen uitkomen; Scipio mag zijn tegenstander Hannibal dan ook wel dankbaar zijn. Zoals hij ook niet mag klagen met een chroniqueur als Livius, die het genie uit Carthago afschilderde als de absolute Antiromein, behept met 'onmenselijke wreedheid, meer dan Punische onbetrouwbaarheid, geen enkel gevoel voor waarheid of heiligheid, geen enkel ontzag voor de goden, geen eerbied voor een eed, geen morele principes.' Vooral van de eerste ondeugd geeft Livius graag voorbeelden. Memorabel is het verhaal van de gids die Hannibal door Zuid-Italië zou leiden. Hij verstond de Punische tongval slecht, bracht de Carthagers naar de verkeerde plaats, en werd als dank onmiddellijk aan het kruis geslagen. Zelden werd gebrek aan talenkennis strenger afgestraft.

Livius was een romanticus, die oorlog het liefst beschreef als een conflict tussen persoonlijkheden. Hoe perfide ook (en we moeten bedenken dat de geschiedenis van de Punische oorlogen geschreven is door de overwinnaars), Hannibal was aan Scipio gewaagd; zijn strategisch meesterschap dwong zelfs bij zijn vijanden respect af, ongeveer zoals een andere beroemde 'Desert Fox', Rommel, twee millennia later werd bewonderd door zijn geallieerde tegenstanders. Een van de mooiste passages in Hannibal voor de poorten is de ontmoeting, in boek 30, tussen Hannibal en Scipio, vlak voor hun showdown in de Noord-Afrikaanse woestijn. 'Een tijdlang zwegen ze bij het zien van elkaar', schrijft Livius, 'bijna verlamd van wederzijdse bewondering.' Waarna de veldheren een schitterende redevoering afsteken en ieder huns weegs gaan. Vooral in de laatste hoofdstukken onderga je Hannibal voor de poorten als een goede western, een klassiek achtervolgingsverhaal waarin de jager van tijd tot tijd de gejaagde is. De ontknoping vindt uiteindelijk plaats bij Zama, in een veldslag die door Livius beschreven wordt als een soort high noon voor de wereldgeschiedenis. Scipio wint en gaat beladen met eer en buit terug naar Rome. Hannibal druipt af naar Carthago en wordt daar ondanks zijn staat van dienst gehoond door zijn stadgenoten. En de lezer - de lezer blijft weemoedig achter omdat Hannibal, de witte walvis van de Punische Oorlogen, 'the man you love to hate', uit het zicht verdwijnt. Het overgeleverde geschiedwerk van Livius gaat nog vijftien boeken verder; maar het is niet meer dan terecht dat de vertaalster besloot op dit punt te stoppen.

*) De citaten uit Livius' voorwoord zijn vertaald door F.H. van Katwijk-Knapp, die komend voorjaar een vertaling van boek 1-10 van 'Ab urbe condita' zal publiceren.