Het wezen van de Zeeuwse kiekendief

Benny Génsb⊘l (illustraties Bjarne Bertel): Roofvogels van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Schuyt & Co. 408 blz. ƒ 59,50

De laatste jaren is het aantal roofvogels in Nederland spectaculair toegenomen. Wie door een open landschap wandelt, moet zijn ogen wel in zijn zak hebben om niet af en toe een buizerd of tenminste een torenvalk te zien. Die toename komt niet omdat er tegenwoordig zoveel meer voedsel voor roofvogels beschikbaar is, maar het is eerder een herstel van een vroegere situatie.

Roofvogels werden vroeger meedogenloos vervolgd, door jagers en door stropers. Ze werden vergiftigd en nesten werden doorschoten. Dat alles is nu verboden, al gebeurt het nog steeds op kleine schaal. Erger nog was in de jaren zestig de onbedoelde vergiftiging met pesticiden in de landbouw, waardoor de eieren niet uitkwamen. Aan die vergiftiging is door een verbod op DDT en verwante gifstoffen een eind gemaakt. In de jaren tachtig begon in Nederland het herstel en nu zijn er weer volop roofvogels te zien. Van sommige soorten, bijvoorbeeld de Bruine kiekendief, kan men zelfs al spreken van een verzadiging.

Om een waargenomen roofvogel met enige zekerheid op naam te stellen, komt heel wat kennis kijken. In de eerste plaats zijn roofvogels nog steeds erg schuw, de vervolging door jagers zit diep in hun collecief geheugen verankerd. Een roofvogel zie je altijd hoog in de lucht of in de verte voorbij vliegen. Daarnaast hebben nogal wat soorten een uiterst variabel verenkleed. Van sommige soorten, zoals de buizerd, is het ondoenlijk een eenduidige beschrijving te geven: je hebt lichte exemplaren, donkere, en alles daartussen in. Daarnaast maakt het veel uit of je een jonge vogel ziet in jeugdkleed, of een volwassen dier in prachtkleed. Soms is er ook een groot verschil in kleur tussen het mannetje en het wijfje.

Dat is dan ook de reden dat de meeste vogelaars nog nooit met zekerheid een wespendief hebben gezien. De overeenkomsten met de veel algemenere buizerd zijn te groot. Over alle soorten arenden die in het buitenland voorkomen, zwijg ik dan nog, daar valt voor een amateur gewoon niet aan te beginnen.

In 1993 verscheen Roofvogels van Noordwest-Europa van Dick Forsman, een krachtige aanvulling op de algemene vogelgidsen, zoals Tirions Vogelgids of de Vogels van Europa van Lars Jonsson. Maar het was geen echte veldgids. Vergeleken daarmee is het nieuwe, gespecialiseerde Roofvogels van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten een openbaring. Het is de vertaling van een nieuwe Deense veldgids van schrijver Benny Génsb⊘l en illustrator Bjarne Bertel. Dit boek slaat werkelijk alles wat op dit gebied verschenen is. Per soort worden niet alleen uitputtende tekst, verspreidingskaarten en foto's gegeven, maar soms tientallen verschillende tekeningen van hoge kwaliteit.

Nu vogelaars steeds vaker heel Europa als hun waarnemingsterrein beschouwen, vooral doortrekplaatsen als Zuid-Zweden, de Bosporus en het Israelische Eilat, is het zinvol om de aantallen daarover ook in een veldgids op te nemen. Die staan dan ook keurig met een trendanalyse opgegeven in een apart kader bij iedere soort. Met alle nieuwe staten zoals Kroatië en Moldavië neemt dat kader voor de Zwarte Wouw, de algemeenste roofvogel ter wereld, bijna twee bladzijden in beslag.

Roofvogels van Europa bestaat uit twee delen. De eerste 284 bladzijden vormen een algemene beschrijving van de soorten met verspreidingskaarten en foto's. Daarna volgen 120 bladzijden met veldkenmerken en tekeningen. Vooral het laatse deel is ongeëvenaard.

In tegenstelling tot een vogelgroep als steltlopers, die in vlucht het gemakkelijkst met 'formele' kenmerken als witte stuit, dubbele vleugelstreep, witte staartband en dergelijke op naam gebracht kunnen worden, is het bij roofvogels veel meer zaak de soort in zijn 'wezen' te leren kennen - hoe hoog zweeft hij, hoe houdt hij daarbij zijn vleugels, houdt hij zijn kop geheven, trekt hij met zijn staart? Kortom, veel meer dan zijn uiterlijk is zijn gedrag en zijn houding van belang. De tekeningen en de tekst helpen als geen ander boek om dit soort kennis door ervaring op te bouwen. Het behoeft geen toelichting dat een kwalitatief zeer goede verrekijker hierbij noodzakelijk is.

Er zijn twee kleine tekortkomingen. In de eerste plaats is het wonderlijk dat geen enkele roofvogel zittend is afgebeeld. Natuurlijk is het herkennen van vliegende roofvogels het moeilijkst van allemaal en zullen de meeste roofvogels vooral vliegend worden waargenomen. Maar veel vogelaars zeulen tegenwoordig een telescoop met zich mee, en daarmee zul je toch af en toe een roofvogel op een tak kunnen zien. Toegegeven: de meeste algemene vogelgidsen geven vooral roofvogels in zit weer, en als deze nieuwe roofvogelgids daarop een aanvulling vormt, is het weglaten daarvan te billijken. Maar dat betekent dat de vogelaar naast het dikke Roofvogels van Europa ook altijd een algemene gids bij zich moet dragen.

Een tweede aanmerking betreft de vertaling. Het colofon meldt dat Roofvogels van Europa ook is bewerkt. Bewerkt waarvoor, kan de gebruiker zich afvragen. Niet voor Nederland in elk geval. Over de doortrek en aantalsontwikkeling in Denemarken krijgt de lezer alles te weten, maar dat lijkt me voor een Nederlandse gebruiker niet zo zinvol.

Specifiek Nederlandse zaken ontbreken daarentegen. Bijvoorbeeld dat de Bruine kiekendief in het Nederlandse Deltagebied overwintert, een feit dat keurig in de dikke Jonnson wordt vermeld. Roofvogels van Europa spreekt slechts over 'decemberwaarnemingen in Nederland en Neusiedlersee'. Gezien met het oog van de Deense auteur is deze vermelding redelijk correct, maar voor een Nederlandse bewerking van een speciale roofvogelgids schiet het tekort. De vogelaar die in de winter bij de Kwade Hoek op Goeree een paartje kiekendieven ziet, zal met de nieuwe roofvogelgids denken dat hij iets bijzonders heeft waargenomen. Dat is het ook, want de rest van alle Europese Bruine kiekendieven zit in Afrika. Maar zo bijzonder is het ook weer niet, want die Zeeuwse kiekendieven blijven al jaren hier hangen.