Haat in China

Su Tong: Rijst. Vertaald door Mark Leenhouts, De Geus, 256 blz. ƒ 39,90

Wie zich dezer dagen verdiept in bestsellers als Hong Yings Zomer van verraad of Lulu Wangs Het Lelietheater en daardoor gesterkt is in de overtuiging dat het Chinese communistische bewind de menselijke waardigheid en individuele vrijheid onderdrukt en dat het 'bij ons' een stuk beter is, kan de roman Rijst van Su Tong beter niet lezen. Wie verzot is op het fotogenieke China uit de films van Zhang Yimou en een traan geplengd heeft om het lot van de knappe concubine in Raise the Red Lantern, kan dit boek beter ook niet lezen. En dat terwijl Su Tong (1963) de auteur is van de novelle waarop Raise the Red Lantern gebaseerd was.

Rijst moet je niet lezen om een land of een systeem te leren kennen. Rijst is een echte roman. Het is van begin tot eind verzonnen, geconstrueerd en gemanipuleerd. Het is een verhaal, maar wel een verhaal dat op ijzingwekkende wijze een verpletterende waarheid verkondigt - over mensen, over leven en dood, over liefde, en vooral, over haat. Een citaat: 'Sulong gooide de munten voor zijn voeten; zijn gezichtsuitdrukking was niet te doorgronden. Je zegt het nog ook, bromde hij, en hij zette zijn voet op de handen die de munten op wilde rapen. Ruggengraatloze nietsnut. En hij sloeg hem op zijn hoofd met zijn draagstok, (...) Wulong liet de stok vallen en zag het bloed uit het hoofd van de jongen door zijn vingers druipen. Hij keek hem scherp aan en zei: nu zie ik haat in je ogen. Dat is goed.'

Aan het begin van de roman is Wulong, de hoofdpersoon van Rijst, een arme boerenzoon die, op de vlucht voor overstromingen, zijn fortuin in de stad zoekt. Hij vindt emplooi bij een rijsthandel, waar hij zich opwerkt van sjouwer tot schoonzoon. Zijn succes is te danken aan een combinatie van fysieke kracht, halsstarrigheid en genadeloosheid, maar zijn belangrijkste drijfveer is haat. In het vervolg van de roman, die een periode van meer dan dertig jaar bestrijkt, schopt hij het al hatend uiteindelijk tot bendeleider en grondbezitter.

Wulong is bot, boers en brutaal; hij is nors en nukkig; hij is geil en gewelddadig; hij behandelt zijn vrouwen als vuil, hij mept en moordt er lustig op los. Toch is Wulong een personage dat ik niet snel zal vergeten, want schrijver Su Tong heeft hem op magistrale wijze verrijkt met onverwachte uitingen van droge humor, sombere filosofie, heimwee en melancholie, alsmede een aan fetisjisme grenzende passie voor rauwe rijst. Wulong klopt van geen kant: hij is te slim om een ongeletterde boer te kunnen zijn, te serieus voor een schoft, te gevoelig voor een gluiperd. In het begin van het boek is hij het slachtoffer van vernedering en mishandeling en voel je als lezer sympathie voor hem. Naarmate het boek vordert en Wulong wraak begint te nemen, is het misschien de bedoeling van de auteur geweest dat je hem gaat haten, maar mij is dat uiteindelijk niet gelukt, al was het alleen maar door de zielige wijze waarop hij aan zijn einde komt: blind en doodziek, liggend op een berg rijst in een trein op weg naar huis, mishandeld door zijn jongste zoon, die niet wil deugen.

Vrijwel alle leden van Wulongs (schoon)familie zijn er voortdurend op uit elkaar het leven zuur te maken. De Confuciaanse familie-ethiek wordt gerespecteerd, maar daarmee is alles gezegd. De enige reden waarom men bij elkaar blijft, lijkt de ethiek zelf te zijn: men is een familie omdat dat zo hoort. De familie is de basis van het bestaan, net zoals rijst de basis van de voeding is.

De rijst in Rijst symboliseert (denk ik) het zuivere en onbezoedelde in de mens, maar wat wil dat zeggen als het wordt omgeven door wanstaltigheid en smerigheid. Om de twee of drie bladzijden is een van de personages wel weer bezig de po te legen of schoon te maken. Ongetwijfeld een dagelijkse en noodzakelijke bezigheid in de tijden van voor de waterleiding, maar de voortdurende herhaling verleent aan de po een symbolische betekenis.

En dan is er nog het geweld, het volstrekt zinloze geweld, waarvan de roman bol staat. Su Tong beschrijft het geweld, zoals in het citaat hierboven, emotieloos, nonchalant en met weinig woorden. Een van de gruwelijkste voorbeelden is de achteloos in een paar regels vertelde passage waarin Wulongs hoogzwangere schoondochter door twee wedijverende Japanse soldaten wordt doodgestoken omdat dat twee punten oplevert. En om het nog erger te maken verneemt Wulong dit nieuws door een krantenfoto van een vrouw 'die in een bloedplas lag, met een opengereten buik waaruit een bleek, volgroeid kind half naar buiten hing'.

Wat bezielt een jonge schrijver om zo te schrijven? Su Tong wil zeker niet de Japanse oorlogsmisdaden in China aanklagen. Sterker nog, het valt juist op dat er, afgezien van de scène hierboven, vrijwel niets verandert in het leven van zijn hoofdpersonen na de Japanse invasie. Su Tongs stijl in deze roman doet sterk denken aan die van sommige verhalen van zijn generatiegenoot Yu Hua. Maar waar het er Yu uiteindelijk om te doen is het communistische systeem te veroordelen wegens het vernietigen van de normale menselijke verhoudingen, lijkt Su Tong zijn roman bewust in het pre-communistische China te hebben gesitueerd. Sterker nog, de historische context van het verhaal speelt zo'n ondergeschikte rol dat het vrijwel tijdloos overkomt. Wat overblijft is Su Tongs persoonlijke visie, zijn kijk op het leven en op de werkelijkheid. Dat is een hele onplezierige kijk, met een beklemmende uitwerking.

Rijst is met vaste hand vanuit het Chinees vertaald door Mark Leenhouts, een jonge vertaler die in een kort tijdbestek drie Chinese romans voor de Nederlandse lezer toegankelijk heeft gemaakt. Met een sobere punctuering en uiterst exacte woordkeus heeft Leenhouts de sfeer van het origineel uitstekend weergegeven. Bepaalde Chinese uitdrukkingen en zegswijzen, waarvan de betekenis voor zich spreekt, heeft hij letterlijk in plaats van idiomatisch vertaald, wat in dit geval uitstekend gewerkt heeft. Dit kleine vervreemdingseffect zorgt er voor dat de wereld van Rijst geen moment te herkenbaar wordt en dat je je als lezer er geen moment helemaal in thuis voelt. En dat is maar goed ook.

    • Michael Hockx