Gefoeter tegen de buis

Pierre Bourdieu: Sur la télévision (suivi de l'emprise du journalisme). Liber éditions. 96 blz. ƒ 13,55

De Franse socioloog Pierre Bourdieu houdt niet van televisie, en maakt daar geen geheim van. In zijn colleges aan het Collège de France, later - ironisch genoeg - gevolgd door televisiecolleges op de Franse abonneezender Paris Première heeft hij het medium toornig tegen het licht gehouden en veroordeeld. Voor wie de uitzending gemist heeft, zijn Bourdieus bezwaren nu ook als boekje verschenen.

Het moet gezegd dat Bourdieus bezwaren niet uitblinken door originaliteit. De socioloog foetert tegen de almacht van de kijkcijfers, die naar zijn mening het informatieve gehalte van de meeste uitzendingen de nek omdraaien. De televisie, meent Bourdieu, vermijdt het liefst wezenlijke vraagstukken ten gunste van onderwerpen die geen controversieel karakter dragen, zoals spectaculaire ongelukken of het weer.

Uitgebreid gaat de geleerde ook te keer tegen de macht van de journalistieke kaste, die als een zichzelf bevruchtende oester de agenda bepaalt: de opening van de ochtendbladen is het belangrijkste onderwerp voor de televisiejournaals 's avonds, en wat die journaals voor nieuws te melden hebben is dan weer belangrijk voor de ochtendbladen van de volgende dag.

Bourdieu rekent in krachtige bewoordingen af met intellectuelen die regelmatig optreden op de televisie, zoals Bernard-Henri Lévy, en daarmee handlangers worden van het fast thinking (naar analogie van fast food) dat het medium als stroop over de samenleving uitstort. Televisie is censuur, meent de socioloog zelfs. In vrijwel elke uitzending immers wordt de spreektijd beperkt. Dat is vanuit intellectueel oogpunt onaanvaardbaar. Bourdieu is representant van een richting in de sociologie die proefondervindelijk onderzoek ondergeschikt maakt aan meer normatief en geëngageerd denken. Dat heeft zeker zijn charme, maar het gebrek aan realiteitszin in de teksten van dit boekje doet toch wel ernstig afbreuk aan het belang van wat Bourdieu over de televisie te beweren heeft. Vergeefs zoekt men naar een gedachte over hoe de televisie dan wèl zijn vulgariserend werk zou moeten verrichten.

Hij wekt enigszins de indruk de gang van zaken op het Collège de France - op deze instelling mogen Frankrijks grootste geleerden geheel naar eigen inzicht eindeloos college geven - als de enige valide methode van informatie-overdracht te beschouwen. De zender Paris Première had hem overigens gestijfd in deze opvatting, door Bourdieu in de gelegenheid te stellen zich urenlang, gezeten voor een boekenkast, tot de kijkers te wenden - zij het na middernacht.

Een Nederlandse lezer zou de indruk kunnen krijgen dat de Franse televisie bijzonder slecht en flodderig is, veel slechter dan de Nederlandse. Voor sommige zenders als het commerciële TF1 is dat zeker het geval, maar aan de andere kant kent Frankrijk een aantal televisiezenders - ook publieke - wier intellectueel niveau verre boven dat van de Nederlandse televisie uitstijgt.

Toch heeft het gefoeter van de hooggeleerde wel iets aardigs. In ons land wordt immers - sinds de briljante tirades van Gerrit Komrij over de treurbuis in de jaren tachtig - de houding van intellectuelen tegenover televisie gekenmerkt door defaitisme of laf begrip. Zelden hoor je nog iemand zeggen dat hij uit principe geen televisie kijkt, eerder is het bon ton om guitig toe te geven dat je op sommige avonden Hart van Nederland prefereert boven Nova.

Ook in Nederland wordt het derhalve weer eens tijd voor een krachtige stellingname tegen het medium televisie. Een beetje meer argumenten dan Bourdieu aandraagt, zouden in een dergelijk debat niet misstaan.