Gebroken groeischijf

Net heb je een lekker vaartje. Mooi asfalt onder je skates. Warme voorjaarswind suist door je haren. Je kijkt om je heen. Daarginds rijdt je vriendje. Je zet nog eens aan, kijkt weer voor je. Ligt daar een stok! Je vliegt een eindje door de lucht. Je ziet dat je je handen voor je uit steekt. Mooie reflex. Eerst raken je handen de grond. Ze schrapen over het asfalt. Gelukkig handschoentjes aan, denk je nog. Je handen remmen al, maar je lichaam schuift door. Pijn.

Verdoofd sta je op. Het bloed trekt uit je hoofd. Zweet breekt uit. Je hand staat een beetje scheef. Maar rechttrekken gaat niet. Met een zwierige draai komt je vriendje naast je tot stilstand. 'Gevallen?' Vraagt hij luchtig lachend. Maar je kunt niets meer zeggen.

Thuis zeggen ze van alles. Onder de kraan met die pols. IJsklontjes erop. Zorg ervoor dat hij niet nog dikker wordt. Na een uur staat je hand nog scheef en zegt er iemand: 'We moeten maar eens naar het ziekenhuis.'

Daar knijpt, trekt, duwt en buigt de dokter de pols. 'O, die zal wel gebroken zijn', zegt hij, alsof dat de normaalste zaak van de wereld is. Voor hem wel. Hij heeft misschien al honderd gebroken polsen gezien. Maar jij je eerste. En je voelt hem ook nog.

Vorig jaar braken ongeveer 1000 inline-skaters hun pols. In totaal gingen er 4000 skaters naar het ziekenhuis omdat ze gevallen waren. Het waren bijna allemaal kinderen en pubers. De skate-ongelukken gebeuren vooral in het voorjaar en de zomer, en dan nog in de weekends als het mooi weer is.

Als skaters hun pols niet breken, hebben ze toch vaak iets met een arm. Een gebroken vinger, of een afgeschaafde huid, of een gebroken arm, of een arm uit de kom. Een neus of kaak breekt ook wel eens, maar met skatersbenen gaat niet zo vaak wat mis. Handschoenen en armbeschermers hebben dus meer zin dan kniebeschermers.

Meestal kwakken skaters per ongeluk op straat of stoep, of ze struikelen over de stoeprand. Maar soms doen ze rare dingen. Er was een skeeler met een gebroken pols die van een glijbaan af was gecrost. Een ander reed over spoorwegbielsen en viel. Ook een pols gebroken.

In het ziekenhuis laat de dokter eerst een foto maken van zo'n dikke zere pols. Hij kan zien waar de breuk zit en als je er zin in hebt mag je je eigen breuk ook zien. Soms zie je maar een heel klein scheurtje op de foto.

Het rare van een gebroken pols is dat meestal de pols niet gebroken is. De pols is het buigzame stuk tussen je hand en je onderarm. Daar zitten acht kleine knobbelvormige botjes. Door die botknobbels kun je je hand naar boven en beneden maar ook naar links en naar rechts bewegen. Die acht kleine botjes zijn samen je pols en ze breken bijna nooit.

Nee, als de dokter zegt dat je pols is gebroken, zie je op de foto meestal dat het uiteinde van je spaakbeen gebroken is. Of van je ellepijp. Dat zijn de twee botten in je onderarm die van je elleboog naar je pols lopen. Als je nog groeit en je breekt een bot, dan gebeurt dat vaak precies op de groeiplek. Lange botten (pijpbeenderen, zoals die in je armen en benen) groeien alleen vlakbij beide uiteinden. Daar zitten groeischijven en dat zijn zwakke plekken. De groeischijven van je spaakbeen en ellepijp zitten maar één of twee centimeter van je polsbeentjes vandaan. Een gebroken pols is dus vaak een gebroken groeischijf.

De dokter moet ervoor zorgen dat de gebroken groeischijf weer zo tegen elkaar komt te zitten dat je arm nog kan groeien. Soms moet hij daarom het gebroken stukje er weer tegen aan drukken. Dat is niet zo leuk, maar als het niet gebeurt word je ene arm korter dan de andere. In ieder geval krijg je een week of drie gips om je onderarm en pols. Je hand gaat er bijna helemaal in. Het gips zorgt dat het bot rust krijgt. Het groeit vanzelf weer aan elkaar. Als je bot weer vast zit, mag het gips er af. Je bent dan niet zo sterk in je arm, omdat je je polsbuigspieren een tijdje niet kon gebruiken en die zijn dan verzwakt. Maar ook dat gaat over.