Essays van De Martelaere; Peilloze verschieten van moeilijkheden

Patricia de Martelaere: Verrassingen. Essays. Meulenhoff, 189 blz. ƒ 34,90

Of je bij een anatomische les bent, maar zonder bloed en stank - een heel elegante anatomische les. Zo voelt een lezer zich die Patricia de Martelaeres Verrassingen leest, een bundel met essays van een filosofe die zich richt tot een niet-filosofisch publiek. Een bundel essays ook van een schrijfster met een uiterst trefzekere pen, die kans ziet om haar stijl zowel transparant als sierlijk te laten zijn.

Precies wat ze wil, getuige haar kleine beschouwing over het essay. Literaire taal 'schildert zichzelf op de voorgrond' schrijft ze, en 'overschreeuwt schaamteloos haar onderwerp', terwijl wetenschappelijke taal doorzichtig wil zijn 'als een venster op de wereld, of, beter nog, als een microscoop op wat zich aan het blote oog onttrekt'. Het essay wil zowel het mooie van de literatuur als het heldere van de wetenschap in zich verenigen: 'Het wil vorsen en versieren, tonen en betoveren'. Het bevindt zich ergens in een midden, een plaats waar De Martelaere, na dat midden eerst zorgvuldig te hebben afgebakend, zich wel thuisvoelt.

Het onderscheid tussen filosofie en literatuur is niet altijd even groot, vindt De Martelaere die een eind mee wil gaan met de deconstructivisten die een dogmatische scheiding tussen beide genres onvruchtbaar vinden. Ze waarschuwt weer wel tegen de opheffing van èlk verschil tussen beide. Hedendaags denken is, schrijft ze, anti-essentialistisch, met als nadeel dat alle dingen 'een soort irriterende glibberigheid' beginnen te vertonen 'zoals de zeep in het badwater'.

Ja ze schrijft goed en pittig. En ze wil dus filosofie en literatuur toch maar van elkaar blijven onderscheiden, zij het niet al te essentialistisch: op ideeën gerichte teksten zijn filosofie, op taal gerichte literatuur.

Wat die van haar zijn? Meer filosofie dan literatuur, zou ik zeggen. Het is er De Martelaere in de eerste plaats om te doen om iets mee te delen, om te laten zien waar ideeën, redeneringen en opvattingen toe leiden, om alle eer te geven aan grote denkers als Freud, Nietzsche en Wittgenstein, en niet om vooral haar eigen taal of zichzelf in het zonnetje te zetten.

Haar onderwerpen zijn van allerlei aard. Ze gaan over het thuis-gevoel en over wonen, over wat sleur en verveling voor ons betekenen, over taboes, over wat tijd is en zelfs ook wáár tijd is, over de filosofie zelf, over wat de waarde van natuur is, over doen-alsof en over ziekte. De essays zijn vaak op een zelfde manier opgebouwd: ze beginnen met een onderwerp aan te snijden waarover een en ander wordt beweerd waarvan men nu niet direct geweldig opkijkt. Dan haalt ze er wat filosofische literatuur bij. De lezer kan nog denken dat die filosofen er toch behoorlijk knap in zijn om moeilijk te maken wat nu toch werkelijk zo vreselijk ingewikkeld niet is.

En dan ineens, alsof we met een raket zijn afgeschoten, openen zich peilloze verschieten van moeilijkheden en onderscheidingen, van ongewenste consequenties en onhoudbare opvattingen, de een al spitsvondiger en scherpzinniger dan de andere. De verblufte en verrukte lezer zit ijverig door zijn microscoop te turen naar wat daar allemaal zo duidelijk zichtbaar aan het krioelen is en hoort dan ineens De Martelaeres nuchtere stem vragen: 'En wat leveren ons al deze beschouwingen over mens en dier, natuur en waarde, vrijheid en verantwoordelijkheid op?' Juist ja, daar ging het om. En dan trekt zij haar conclusies en schaamt zich niet als die niet bepaald alomvattend uitpakken - wat is gewonnen is dikwijls voornamelijk dat we beter weten waarover we het hebben dan voorheen.

Het is een mooi gezicht, iemand zo te zien denken in geschrifte. Maar opwekkend is het niet. De Martelaere is een nogal illusieloze denker, die met menige algemeen geaccepteerde veronderstelling afrekent. De meest omvattende daarvan is misschien wel dat wij in staat zouden zijn onze eigen gevoelens te kennen. Op verschillende plaatsen wordt dat door De Martelaere bestreden: 'We zijn voor onszelf geen open boek maar een knoop in een zakdoek, bestemd om op iets te wijzen, maar het is niet duidelijk waarop hij wijst.'

Het feit dat iemand vurig uitdrukking geeft aan zijn gevoelens zegt nog niets over de authenticiteit ervan. Wie ernaar luistert kan die gevoelens onoprecht, of overdreven of theatraal vinden en er niet in geloven. Als de spreker zelf er maar in gelooft, zou je dan zeggen, want die kan zelf wel beoordelen of wat hij zegt overeenstemt met wat hij voelt. Maar dat betwijfelt De Martelaere: 'Het is voor de verliefde nauwelijks eenvoudiger om overtuigd te raken van de echtheid van zijn eigen gevoelens dan het voor de geliefde is om zich te vergewissen van diens oprechtheid.' Wij hebben helemaal geen rechtstreekse toegang tot onszelf, zegt zij, en wie denkt een gevoel onder woorden te brengen veronderstelt daarmee eerst een gevoel dat aan verwoording vooraf ging maar dat toch duidelijk onderscheidbaar zou zijn. Husserl geloofde wel in die mogelijkheid, maar een beetje modern filosoof niet meer. Onze gedragingen zijn vaak voor onszelf ondoorgrondelijk. Hierbij citeert De Martelaere met instemming Freud die schreef: 'wij zijn geen meesters in ons eigen huis.'

De mens die oprijst uit De Martelaeres essays is er tamelijk rampzalig aan toe. Zijn verlangen houdt op als hij krijgt wat hij wil, romantische liefde is een verzinsel waar hij zo door gevormd is dat hij geen onderscheid tussen echt en onecht meer kan maken. Hij kan trouwens überhaupt als het om zijn gevoelens gaat geen onderscheid tussen echt en onecht maken. Hij heeft weinig mogelijkheden om te begrijpen wat zijn rol is in de natuur, of hij verantwoordelijk is of niet, hij kan anderen niet kennen en zichzelf nog veel minder. Wat een stuurloos, beklagenswaardig diertje is dat, die mens. Als het een diertje is tenminste, want ook dat...

Denken maakt niet gelukkig, zoveel is zeker. Maar erover lezen wel.