Een ontdekking van de werkelijkheid; Meesterstuk van Marcel Möring

Marcel Möring: In Babylon. Meulenhoff, 474 blz. ƒ 55,- (pbk) en ƒ 75,- (geb.)

In Babylon doet aan van alles denken, de eerste tweehonderdzoveel bladzijden. Maar aan zijn eigen titel? Je stapt binnen in de koude wereld van een heer op jaren, rond de zestig, die samen met een nichtje, rond de dertig, ingesneeuwd raakt in het huis van de familie, een jachtgoed in het oosten van het land dat sinds het overlijden van een oom is blijven leegstaan. Er is geen verwarming en geen water en geen stroom, er is alleen een kelder vol met wijn en houdbaar voedsel. Dat verbaast de twee, want wie legt in een leeg huis nu zo'n oorlogsvoorraad aan? Merkwaardig ook is dat een goed deel van de huisraad opgetast ligt op de trappen in de hal. Stoelen, tafels, kasten, fraai antiek, het is een waterval van houtsnijwerk, die elke doorgang naar de bovenverdiepingen verhindert. Mogen ze daar soms niet komen? Maar van wie dan niet? Nieuwsgierig gaan ze aan de slag om de blokkade op te ruimen, wat meteen een stapel brandhout levert voor de open haard. Terwijl ze langzaam hoger klimmen, trappen op en gangen door, tot aan de zolder en het torentje toe, en daarmee doordringen tot de geheimen van het huis, verstoken ze wat ze achter zich laten.

Een klassieke, achttiende- of negentiende-eeuwse gothic novel, daar doet het vooral aan denken. Een stuwende intrige, in een sfeer van vage angst en dreiging, net genoeg om prikkelend te zijn, en alles elegant gesitueerd in een omgeving waar de bossen ruisen en de nachtuil huilt. Een oude wereld, een vergeten wereld, waarin het verleden meer leeft dan het heden en het stof van de tijd als vilt op de schouwen ligt. Nog even, voel je, en de stilte is voorgoed.

Dus In Babylon?

Maar dan, rond bladzij tweehonderd- tachtig, iets over de helft van deze kapitale literaire onderneming, krijg je een verhaal dat veel verklaart. Het is de oude, bijbelse historie van de toren die Babel met de hemel zou verbinden, maar dan met een nieuwe draai. Toen de toren tot de wolken reikte, zo vertelt de man aan zijn nichtje, werd de weg naar boven voor de werklui zo lang dat de voorraad bouwmaterialen uitgeput was voor er weer een lading kwam. De aanvoer werd verbeterd door de klim in twee etappes op te delen, maar daarmee verloor men in de toren het contact met de grond. De misverstanden groeiden en het werk vertraagde. De stenen raakten op, het brandhout ook, en op den duur kon men zich in de waterkou van het wolkendek alleen nog warmhouden door bouwhout in het vuur te gooien. In de afzondering van die witte wereld, onderweg naar boven, stookten ze hun eigen bouwwerk op. Precies, met andere woorden, als de man en het nichtje zelf.

Ben je er eenmaal op gespitst, dan merk je dat het in dit boek van de Babelse torens wemelt. De man komt niet alleen met een verhaal over het wangedrocht, hij blijkt het als kind in zijn hoofd te hebben nagebouwd. Hij zag een prent van Bruegels Toren van Babel, nam het beeld tot in de kleinste kleinigheden in zich op en merkte daardoor stomtoevallig dat hij zijn geheugen kon vergroten door herinneringen als het ware in de gaanderijen van zo'n bouwwerk op te slaan. Sindsdien is hij, zoals hij zelf tevreden vaststelt, 'een mnemonisch wonder'.

Die gave heeft hem in de loop der tijd tot encyclopedie van de familie gemaakt. Hij hoorde alles, en onthield het ook, zelfs als het over een familielid van vroeger ging. Vanaf zijn betovergrootoom Chaïm Levi, een klokkenmaker in het Polen van de zeventiende eeuw, via diens neef, die na een pogrom aan het zwerven raakte, en diens kinderen en kindskinderen, die zeven generaties lang in Rotterdam bleven en hun naam veranderden in Hollander, tot aan de achtste generatie toe, die van zijn eigen vader, die kort voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika vertrok - hij heeft de hele stamboom in zijn hoofd.

In zijn gedachten is het een doorlopend verhaal van zoeken en zwerven, opgedreven door vernietigende krachten in de wereld, en hij heeft zijn eigen leven in dezelfde geest geleefd. Een huis heeft hij al in geen vijfendertig jaar gehad. Hij reist, hij leeft uit koffers, en pas nu hij vastzit in het jachthuis van die overleden oom, die het gekocht had om toch ergens op de wereld nog een thuis voor de familie in te richten, maakt hij de balans op van zijn rusteloosheid. Hij heeft geen vrouw en geen kind. Zijn broer en zusters zijn er ook niet meer. Alleen hijzelf nog, Nathan, en zijn nichtje. Met hen zal de geschiedenis der Hollanders tot stilstand komen. Na hen zal niemand de Toren van Babel, want ook de familie is voor hem een Toren van Babel, afbouwen.

Zo samengevat heeft het misschien iets tamelijk gekunstelds en vermoeiends, almaar weer zo'n toren, maar in de licht magische sfeer van de roman krijgt de herhaling zijn eigen kracht. Het wordt iets als muziek bij de film van het verhaal, een diepe, verre grom van de pauken die je vast laat voelen wat je later pas zult zien. Want wat er met Nathan ook gebeuren mag, daar in dat ingesneeuwde landgoed, bij een Toren van Babel kun je op je vingers natellen waar het op uitdraait. Met een bang of met een whisper, het einde is een instorting.

Die verbeelding van een eindpunt in de tijd verbindt In Babylon met de twee vorige romans van Marcel Möring. Sam van Dijk in Het grote verlangen (1992) probeert het gat te vullen dat in zijn geheugen is geslagen, op zijn elfde, toen zijn ouders bij een auto-ongeluk het leven lieten. Mendel Adenauer zoekt in Mendels erfenis (1990) een plek in het bestaan nadat zijn grootouders en ook zijn moeder overlijden. Laatste Mohikanen zijn ze, net als Nathan, voortbrengsel van een kapot verleden dat geen houvast geeft. Ze dolen door het heden, en keer op keer stelt Möring impliciet dezelfde vraag. Hoe vind je in de barre vlakte van zo'n wereld een beschutte plek? Hoe zet je een uiteengevallen wereld weer ineen?

Mendel Adenauer heeft daarbij met Nathan Hollander gemeen dat zijn familie joods was, maar dat hij daar weinig meer aan kan ontlenen. Hij is niet van plan zijn leven op te hangen aan de oorlog, de shoah, zoals hij bij veel joden ziet gebeuren, en evenmin aan nostalgie naar warm vooroorlogs jodendom met boterkoek. Hij wil geen jiddischkeit, geen sjoel, geen God, hij hoort bij niets. Voor hem is iedereen alleen.

De enige manier om daar iets aan te doen, oppert hij, is door een categorische verbondenheid te voelen met het leed van anderen. Elk mens heeft voor hem de plicht te lijden onder alle onrecht, armoe en ellende in de wereld. Een mens moet als een messias zijn, kortom, en aller lijden dragen.

Hij probeert het. Maar aangezien er weinig tegenover staat, geen greintje hoop, laat staan verlossing, en zijn medemensen niet staan te springen om hem na te volgen, schiet hij daar niet veel mee op. Hij isoleert zichzelf nog meer dan hij al deed. Hij raakt de voeling met de werkelijkheid kwijt en wordt ten slotte als verweesde stakker opgenomen in een inrichting. Leeg als een fles, zoals de schrijver zegt, en dan besef je dat hij net het tegendeel bereikt van wat hij wilde. Hij is een 'omgekeerde messias'. In plaats dat hij een wereld wint, verliest hij zichzelf.

Zo'n doodlopende weg ga je niet gauw een tweede keer, ook niet als schrijver, en je merkt dat Möring met In Babylon iets anders in de zin heeft. Weliswaar voert hij opnieuw een Mendel-achtige figuur op, met een paar precies dezelfde eigenaardigheden zelfs, maar het is niet Nathan Hollander. Het is diens broer, Zeno, een briljante jongen die zich in de jaren zestig naam verwierf als sekteleider, om vervolgens spoorloos van de aarde te verdwijnen. Nathan noemt hem de 'Vernietiger der Werelden', wat net zoiets is als een omgekeerde messias, en het lijkt wel of hij het is die, op de een of andere manier weer terug op aarde, in het huis die barricade opgeworpen heeft. Hij is Nathans tegenvoeter.

Nathan zelf lijkt het aanvankelijk niet zo te kwaad te hebben met zijn verlorenheid in de wereld. Door zijn onuitputtelijk geheugen heeft hij de geschiedenis van de familie bij de hand, hij kan de barre vlakte van de werkelijkheid op elk gewenst moment stofferen met verhalen en herinneringen. Met zijn zeventiende-eeuwse betovergrootoom praat hij zelfs alsof de man bij hem aan tafel zit. Hij reist door de tijd, voor hem lijkt het verleden niet kapot.

Maar of dat ook betekent dat hij het verleden plaats kan geven in het heden? Of het leeft?

Op zijn eigen manier is Nathan net zo opgesloten in zijn hoofd als zijn voorganger Mendel, merk je langzaamaan. Je leert hem kennen als het type man dat afstand en controle houdt door onophoudelijk ironisch te zijn. Hij is charmant, op het kokette af, om zich maar niet te laten kennen. Hartstocht en overgave houdt hij uit de buurt. Komt iemand hem na, dan trekt hij zich in zijn gedachten terug, en hij heeft nog een alibi ook, want hij is schrijver. Sprookjesschrijver, om precies te zijn. Het is zijn vak geworden om de wereld te ontvluchten.

Daarmee wordt de barricade in het huis een strijdperk van twee werkelijkheidsvliedende broers - tenminste, als het inderdaad die Zeno is die hier de boel verbouwt. De schrijver contra de messias, de schepper contra de vernietiger, en gaandeweg wordt het een ware strijd. Een kamer blijkt verduisterd, een deur is dichtgetimmerd, aan een touw hangt een lijk, bij nader inzien overigens een pop, en Nathan blijft bijna dood onder een zandzak die spontaan uit het niets komt zwiepen. Never a dull moment, de wanorde neemt toe.

Het gevolg is, en dat lijkt me ongeveer de kern van de roman, dat Nathan de omgekeerde weg gaat van de held uit Mendels erfenis. Hij krijgt de werkelijkheid steeds dichter op de huid. Zijn spieren worden moe, zijn hersens worden murw, zijn ironie begeeft het. Met zijn nichtje lopen de spanningen op, emotioneel maar lastig genoeg ook seksueel, en na een ruzie laat hij zich tot zijn verbijstering meeslepen in een woeste vrijpartij. Hij geeft zich over, voor het eerst in zijn leven, en als dat gebeurd is kijkt hij in de gekgeworden kamers nergens meer van op. Hij levert zich uit. “Zo ver is het”, denkt hij, “ik accepteer mijn lot.”

En dan, uiteindelijk, de laatste bladzijden, gebeurt wat ooit gebeuren moest.

“Ik voelde alles in me losraken”, denkt hij, “alsof ik een gebouw was dat al jaren aan het onttakelen was en nu, door een of andere schok, als droog brood verkruimelde.”

Een ontdekking van de werkelijkheid, dat is geloof ik waar In Babylon uiteindelijk om draait. Sloot Mendel Adenauer zich in Mendels erfenis steeds verder af, Nathan Hollander wordt door de buitenwereld uit zijn kluis gehaald. Maar wat dat in praktijk betekent is nog niet zo makkelijk te zeggen. Verkruimelen? Als de Toren van Babel?

Om te beginnen zou je na een kleine vijfhonderd bladzijden gesjouw met hardhouten antiek eens willen weten hoe nu eigenlijk de werkelijkheid rond die barricades lag. Was het nu echt die Zeno? En waarom dan toch? Maar wat je ook te weten komt, niets dat op een antwoord lijkt. Geen woord.

Dat heeft iets reuze teleurstellends, als je een halve nacht bent opgebleven om het eindelijk te weten - want zo spannend is het wel. Maar als je met wat afstand terugkijkt, kun je je afvragen of het daar uiteindelijk wel om gaat. Of het er niet om gaat, met andere woorden, dat er geen helder antwoord is. Wie, om een vergelijking op te werpen die hier voor de hand ligt, heeft de neergang van de Toren van Babel aangericht? En wie de ondergang van de familie Hollander? Je kunt daar een naam bij noemen, maar toch eigenlijk alleen die van God. Het is een traag en autonoom proces, iets wat een beetje uit zichzelf gebeurt. Een enkeling is daarin niet meer dan een instrument. Dus Zeno, of een ander? Waar het om gaat is het mysterie van dat onontkoombare proces in zijn geheel - en daar wordt in dit boek zowaar uitvoerig over nagedacht.

Het sleutelwoord daarbij is entropie. “Hoe verder we de maatschappij ontwikkelen, hoe fijnzinniger het systeem wordt, hoe geavanceerder en subtieler de organisatie, hoe groter de beheersproblemen en, dus, hoe groter de entropie. We neigen naar verbetering van de wereld, onszelf, de manier waarop we de dingen organiseren, en daardoor verliezen we steeds meer greep op de dingen.” Vernietiging, kortom, ontstaat uit schepping.

Dat idee komt van de overleden oom van Nathan, die als waarnemer aanwezig was bij de bevrijding van Bergen-Belsen, in 1945, en daarna als socioloog een theorie over entropie ontwikkelde. Wat het een met het ander te maken heeft blijft in het midden, maar de suggestie is een beetje dat de oom tot zijn gedachten is gekomen door zijn dagen in het kamp. Of anders gezegd, dat hij het kamp en mogelijk de hele Tweede Wereldoorlog als een vorm van entropie ziet - die van Duitsland, van Europa, van de vooroorlogse beschaving.

Het is een duizelingwekkende, wereldomspannende gedachte, die de ondergang van de familie Hollander in een merkwaardig perspectief zet. Je bent gewend geraakt de ondergang van joodse families in verband te brengen met het Derde Rijk, maar hier ligt het verband net even anders dan je denken zou. De Hollanders zaten in de oorlog veilig en wel in Amerika. Ze zijn in zoverre het slachtoffer van de Duitsers dat ze hebben moeten vluchten - maar uiteindelijk zijn ze, lijkt het wel, net als de Duitsers slachtoffer van een mysterieuze trek van de beschaving. Lotgenoten in de entropie.

Of vergis ik me? Ik krijg de indruk dat er Möring veel aan is gelegen om te laten zien dat zijn verhaal geen typisch joods verhaal is en al helemaal geen vervolgingsverhaal. Kon je bij Mendels erfenis nog denken dat het draaide om de levensvragen van tweede-generatiejoden, grootgebracht met de oorlog die ze zelf niet hadden meegemaakt, de entropie-gedachte mikt onmiskenbaar op iets algemeners. Maar de verbanden met historische verschijnselen (de kampen, maar bijvoorbeeld ook de uitvinding van de atoombom) zijn zo associatief en daarmee zo weinig precies, en door de ongewone casting van joden ook zo ironisch, dat je in voortdurende onzekerheid bent hoe je die verbanden moet zien. De entropie ontglipt je, keer op keer.

Moeilijker nog wordt het als je voor jezelf probeert te formuleren wat Nathan overkomt wanneer de entropie hem overmant - want dat moet het zijn, wanneer hij op de laatste bladzijden 'verkruimelt'. Hij bereikt klaarblijkelijk het omslagpunt van overbelaste orde naar wanorde en vervalt daarmee tot chaos. De Toren van Babel in zijn hoofd valt om, de steun van zijn geschiedenis valt weg.Hij staat onttakeld in een wereld die hem geen houvast meer biedt en zal de zwerftocht van zijn leven in die wetenschap moeten hervatten. Zoiets. Maar het merkwaardige is dat je dat alleen maar kunt bedenken, als gedachte achteraf. Je voelt het niet, je voelt geen drama en geen sfeer. Je kijkt ernaar, die entropie, als een kip naar het onweer.

Dat maakt In Babylon uiteindelijk tot een van de meest zonderlinge leeservaringen die ik ken. In bijna vijfhonderd onstuimige bladzijden volg je de afbraak van een man die, tragisch genoeg, misschien al wel te oud is om straks een nieuw leven te beginnen. Je staat bij die onttakeling en kijkt ernaar en als dan eindelijk de laatste klap komt - blijf je blanco.

Dat klinkt als onvermogen van de schrijver, en dat zag ik er aanvankelijk ook in. Maar wat je dit boek ook kunt aanwrijven, toch nauwelijks onvermogen. Vanuit de simpele kern, twee mensen op één plek, bouwt Möring een uitdijend heelal aan verhalen op. Hij neemt je mee op reis door de geschiedenis van de familie Hollander, van Litouwen en Rotterdam tot aan Egypte en New Mexico. Hij houdt bespiegelingen over tijd, kunst, wetenschap en wat al niet, en komt daarbij met prachtige sprookjes en parabels. Al die genres krijgen een eigen stijl, een eigen toon, en toch wekt het immense vlechtwerk op een paar passages na de indruk van een moeiteloze vertelling. Meesterlijk, je kunt niet anders zeggen.

Voor het eerst toont Möring zich daarbij ook een meester van de suggestie. Alles in zijn scènes leeft en ademt en prikkelt de zintuigen, alleen het hak- en breekwerk rond de barricades al. Je ruikt het hout, je ziet de nerf, je hoort de vonken spatten als een nieuw blok in de haard gaat en je voelt de rode gloed, de damp slaat uit besneeuwde kleren. Je leeft mee met de ontberingen en volgt de arme Nathan stap voor stap in zijn onttakeling. Dus waarom zou je ook zijn laatste stap niet kunnen volgen? Waarom staakt hier de verbeelding?

Omdat die staking ingebakken zit in de idee van de roman, ben ik gaan denken. De entropie waar Nathan aan bezwijkt komt neer op een totale verwarring. Je kunt er geen betekenis in zoeken, want er is geen betekenis in. Je kunt je er niet in inleven, want er is geen leven in. Waar Nathan aan ten prooi valt, is de absolute leegte van het niets, en aangezien In Babylon geheel aan hem is opgehangen, valt het boek met hem ten prooi. Het is wat het laat zien, een Toren van Babel, en de logica eist dan uiteindelijk de koele consequentie. Het stort in.

Dat maakt In Babylon tot een roman waarover je geen doorsnee-oordeel meer kunt vellen. Een meesterstuk dat zichzelf ongedaan maakt, is dat goed, slecht, mooi, lelijk? Het is. Het is een leemte in de vorm van een roman, waar je verbijsterd naar kunt kijken. Het geeft geen betekenis, het neemt die weg. Het brengt de wereld terug tot de ontzielde, barre vlakte waarvan Mendel Adenauer twee romans geleden al wist dat er niet in te leven viel. Het is het boek, niet van een omgekeerde messias, maar van een omgekeerde schrijver.

    • Hans Goedkoop