Een na-oorlogse generatie zonder thema

Voorstelling: Een Sneeuw van Willem Jan Otten door Het Toneel Speelt. Regie: Albert Lubbers. Decor/kostuums: Rien Bekkers. Spel: Annet Nieuwenhuijzen, Petra Laseur, Jack Vecht e.v.a. Gezien: 27/2, Stadsschouwburg Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 2/3. Elders t/m 6/5. Inl. 020 5237767.

Het is een beproefde situatie waarin schrijver Willem Jan Otten zijn tweede toneelstuk, Een sneeuw (uit 1983, toen het voor de eerste en laatste keer werd uitgevoerd), zich laat afspelen. Een verjaardag, een familie-reünie, een nieuwe schoondochter die het gedeelde verleden niet kent, een kind dat afwezig is en in Canada woont. De bijeenkomst is een variant op het oude, vertrouwde leven van vroeger, maar tussen toen en nu gaapt de kloof van verwijdering, van eigen levens die men is gaan leiden, van niet meer precies weten wat men aan elkaar heeft. En van de misverstanden, omdat men toch doet of de oude vanzelfsprekendheden zijn blijven bestaan.

Dat klassieke dramatische uitgangspunt, onheilszwanger maar ook mogelijke bron van komische verwikkelingen, wordt door Otten verbijzonderd. De jarige is Panda (Lou Landré), de vriend van de mater familias (Annet Nieuwenhuijzen). Hij heeft in het kamp gezeten en de verwerking van dat verleden is urgent: wegens keelkanker is zijn strottenhoofd verwijderd, hij kan niet meer praten, hij gaat sterven. Zijn evenknie is de ex-vrouw van de zoon van zijn vriendin, die doet alsof hun huwelijk niet voorbij is en een (Indisch) kampverleden heeft.

Dat is de oer-Hollandse klei waaruit Otten zijn personages boetseert. Hij plaatst ze in de serre van een groot huis, de minst geschikte plek om zich hartje winter op te houden. Het is er steenkoud, de verwarming hapert, de familieleden kleumen. De lokatie is een psychologische metafoor: van diepgevroren emoties. Panda's stoel - vlak naast de grote, uit Indië geredde Bechstein-vleugel waar steevast slechts aanzetjes op worden gepingeld - staat met de rugleuning naar de zaal, de bewoner kijkt door de glazen serrewand die de kamer een groot aquarium maakt, naar een winters panorama. In dat ijzige witgrijs vindt zijn sprakeloosheid meer gehoor dan in het gekakel achter hem.

Want dat is het waaruit Otten zijn verwikkeling-arme stuk goeddeels laat bestaan. Gesprekken, waaruit net als uit de vleugel af en toe slechts aanzetjes tot echte communicatie opklinken. Het voornaamste probleem van deze na-oorlogse generatie is dat zij een thema ontbeert. In die zin is kleinzoon Thomas het symbool van Ottens stuk en van Otten zelf: hij is, zoals de kop boven een krantenrecensie over zijn werk meldt, 'een dichter zonder werkelijkheid', die 'in een luchtledig werkt'. “De storm is gaan liggen, en toen kwam ik,” zegt hij sip.

Dat gemis aan thema is Ottens voornaamste thema en niet, zoals regisseur Albert Lubbers schrijft in een toelichting, 'een misplaatst soort medelijden, bevoogding, gelieg', waar de omgeving de stervende op onthaalt.

Dat is het verhalende, uiterlijke niveau waarop Lubbers en zijn spelers opereren. Onderhoudend, lichtelijk hysterisch en oppervlakkig soms, komediantesk laten we zeggen, met enkele verdrietige momenten die het grote publiek zeer zullen aanspreken. Het is de conventie van een relatief jonge toneelschrijver en regisseur die een beetje verbaast, hoe doortimmerd zij ook is. Maar de boodschap van Otten is een andere, zeer christelijk van aard, in letterlijke zin. Zijn stuk is een crucifix. Wie lijdt, wordt gelouterd. De ware mens is de lijdende. Echt, ook fysiek contact hebben alleen de verdwaasde schoondochter (een mooie Petra Laseur) en Panda. Zij hebben een waarheid, zoniet de waarheid, de anderen zijn strooigoed, gedoemd te dolen. De toeschouwer, althans ik, kan dat ter kennisgeving aannemen, althans ontkennen noch bevestigen. Otten, hoewel geboren na 'de storm', heeft door die zienswijze in elk geval een stuk kunnen schrijven dat ergens over gaat.