De wereld haar wonderland; De onschuld van Marijke van Warmerdam

Sommige werken van Marijke van Warmerdam zouden zo in een tienerkamer passen, zoals de ansichtkaart met het woord 'Vrroem' erop. In Eindhoven en Antwerpen exposeert ze nieuwe films en video's. “Van Warmerdam is kinderlijk om zichzelf en ons te ontwapenen.”

Marijke van Warmerdam: Enkel, Dubbel, Dwars? Van Abbemuseum, Vonderweg 1, Eindhoven. T/m 13 april. Di t/m zo 11-17u. Museum van hedendaagse kunst, Leuvenstraat 32, Antwerpen. T/m 30 maart. Di t/m zo 10-17u.

De filmpjes en video's van Marijke van Warmerdam (1959) gaan over heel gewone dingen. Je ziet een vrouw die haar haar föhnt of een jongen die een salto achterover maakt, of een meisje dat een handstand doet tegen een muur. Stuk voor stuk zijn het handelingen waar je niet lang bij stil zou staan als ze door het procédé van de film-loop niet onafgebroken plaats vonden. Dat fascineert. Je merkt op hoe de uitwaaierende, lange haren van de vrouw haar sieraad en haar zorg zijn, hoe de voeten van de jongen na elke sprong weer naar evenwicht moeten zoeken en hoe de jurk van het meisje bij iedere handstand over haar hoofd valt en haar witte onderbroekje samen met haar onschuld te kijk zet. Die voortdurende herhaling onthult iets wat zich aan de normale, vluchtige blik onttrekt, iets waarvoor een bijzondere aandacht nodig is en een speelse, bijna onbevangen gevoeligheid. Het is het soort aandacht die grenst aan verwondering.

Van Warmerdam heeft de afgelopen jaren een aantal werken gemaakt die die bijzondere aandacht wisten op te roepen. Een daarvan, een filmpje waarmee ze in 1995 op de Biennale van Venetie furore maakte, bevindt zich nu op het NS-station van Schiphol. De reiziger die daar op de trein wacht, kan tegelijk via een groot projectiescherm overstappen in de totaal andere wereld van een man onder de douche. Je ziet hoe het water met kracht over zijn hoofd en bovenlijf stroomt, hoe het hem ontspant en verlekkerd naar binnen doet keren, hoe zijn haren op zijn voorhoofd slierten en zijn mond zich in overgave opent, hoe hij proest, weer ontspant, enzovoort. Het zijn beelden die op het koude, anonieme perron over warmte en intimiteit vertellen, over lichamelijkheid en persoonlijk genot. Ze doen dat op een manier die de routine van het dagelijks douchen omzet in een bijzondere ervaring.

Ook in haar nieuwe filmpjes en video's die nu in het Van Abbemuseum in Eindhoven en het Museum voor Hedendaagse Kunst (Muhka) in Antwerpen zijn te zien, probeert Van Warmerdam het routineuze te doorbreken en de verwondering op te roepen. Weer richt ze zich op het normaal menselijke, maar haar aanpak is in een aantal gevallen formeler en meer op het idee gericht dan voorheen. De camera speelt bijvoorbeeld een actievere rol. Stond hij bij het douchen, het föhnen en het springen in één positie stil als een zwijgende getuige, bij de opnames van een oud, ontruimd binnenhuis is hij een hectisch heen en weer huppende neuroot. Bij niets houdt hij halt. Van de lege boekenkast springt hij naar de afgebladderde muur, door naar het raam met het kanten gordijn, verder naar de gang, het trapportaal om weer bij de kast en de muur uit te komen en dezelfde tocht opnieuw te beginnen.

Zoekt hij iets, en wat dan? Of gaat het om de beweging zelf? Dat laatste, denk ik, want het oog slaagt er niet in zin te geven aan wat het ziet. Raam of trapportaal? Het maakt niet uit, het camera-oog knippert en wisselt het ene beeld in voor het andere.

Kunstje

Het is frustrerend om nergens bij stil te kunnen staan, terwijl je beter zou willen kijken. Mogelijk is het Van Warmerdam juist om die frustratie begonnen. Misschien wil ze ermee zeggen dat wij nooit zicht krijgen op het geheel en dat de wereld voor ons een raadsel is, maar een gevoel dat aan dat idee diepte geeft, ontbreekt. Er trekt in dit verlaten huis hoogstens een zweem van nostalgie voorbij, maar voor het overige kijk je toch vooral naar een camera-kunstje.

Het idee van de wereld als raadsel komt op een andere manier naar voren bij een film-loop met een grote, bruine beer. Hij staat rechtop in een deuropening en we zien hem op twee grote, naast elkaar geplaatste schermen zowel van opzij als van voren. Keer op keer betasten zijn grote berenpoten de deurstijlen, en keer op keer zakken ze hulpeloos weer naar beneden.

Het filmpje heeft onmiskenbaar charme. Je kijkt en wordt gepakt: natuurlijk, een beer weet niet wat een deuropening is. Zijn onbeholpen pogingen om vat te krijgen op zijn omgeving vertederen als het eerste vallen en opstaan van een kind. Maar het is een vertedering die grenst aan sentimentaliteit: deze beer is geen beer meer, maar een knuffelbeest. We kunnen, als bij tekenfilmfiguurtjes, naar hartelust allerlei gevoelens op hem projecteren, maar blijven ondertussen zelf buiten schot.

Er zijn meer werken waarbij Van Warmerdam de beschouwer lijkt te willen charmeren, zoals een twee meter hoge, bruinpapieren zak van het type waar ze in Amerika de boodschappen in doen. Hij kraakt alsof iemand of iets zich erin heeft verstopt, maar je gelooft geen moment dat dat zo is. Het is komedie en dat verhindert dat je doet wat Van Warmerdam waarschijnlijk wil dat je doet: aandacht opbrengen voor een heel gewoon ding - het typische kraakgeluid van een bruinpapieren zak.

Comic-strip

Wie zoiets nastreeft wil de wereld zien als een wonderland: alles is er om je over te verwonderen. Het is de wereld van de kinderlijke onschuld, de wereld die we verloren hebben. Van Warmerdam wil die terug en is bereid om daarvoor schaamteloos kinderlijk te zijn. Zo heeft ze het comic-stripwoord voor snelheid, 'Vrroem', als ansichtkaart laten drukken. Hij ligt in het Van Abbe in een vitrine onder haar 'stretch mobile', een aaneengesloten reeks foto's die samen een Amerikaanse limousine tot in het absurde oprekken. Net als de tientallen verschillend gekleurde posters met het opschrift 'Good day, bad day' kunnen ze zo naar een tienerkamer.

Toch is Van Warmerdam niet naïef. Ik denk dat ze welbewust kinderlijk is om zichzelf en ons te ontwapenen en op die manier ruimte wil scheppen voor wat voor niet-kinderen groot is en moeilijk: onbevangen zijn. Maar dat lukt haar pas als ze de speelsheid van haar ideeën combineert met het ontgoochelende inzicht dat er grenzen zijn, al was het alleen al doordat onze zintuigen tekort schieten. Dan kan een mooi, poëtisch werk als Skytypers ontstaan.

We zien een projectiescherm vol stralend blauwe lucht die telkens wordt doorsneden door vijf straaljagers. Ze vliegen in gelid links, rechts, schuin van boven en van onderen het beeld in en uit, en trekken hun rookpluimen als witte strepen achter zich aan. Die vijf strepen bouwen, al naar gelang de vliegrichting van de vliegtuigen, telkens een ander beeld op van halve cirkels, diagonalen of horizontalen. Iedere keer dat de vliegtuigen hun banen trekken, zie je een abstract schilderij vorm krijgen dat het bestaan van een onmetelijke ruimte alleen maar aanstipt en de rest overlaat onze verbeelding. De oneindigheid wordt verkend binnen het kader van een projectiescherm. Dat is de grens van ons blikveld. Uiteindelijk weten wij niet meer dan een beer in een deuropening.