De oogst van onze eeuw; Simone de Beauvoir: Le Deuxième Sexe, 1949

Simone de Beauvoir, 'De tweede sekse' (1949); Nederlandse vertaling: Bijleveld, 10de druk ƒ 45,50 (dl. 1 en II in één band)

'Je komt niet ter wereld als vrouw, je wordt vrouw.' Met die zin, met die prachtige radicale woorden opent deel twee van Simone de Beauvoirs wereldberoemde studie De tweede sekse. Het is ook juist die formulering waardoor De Beauvoirs analyse van de achtergestelde positie van vrouwen in ons denken hoort bij de zogenaamde tweede feministische golf die eind jaren zestig begon, en niet bij de golf van rond de eeuwwisseling. Het moderne feminisme immers stelde behalve vrouwenonderdrukking ook het bestaan van twee van nature tegengestelde seksen ter discussie, en zag de hoogopgedreven verschillen tussen 'mannelijk' en 'vrouwelijk' als uitkomsten van (via de opvoeding verinnerlijkte) maatschappelijke dwang. Rond 1900 daarentegen gingen ook feministen nog in hoge mate uit van twee in essentie verschillende mensensoorten.

Toch behoort De Beauvoir (1908-1986) historisch gezien niet tot de tweede golf.De publicatie van Le Deuxième Sexe, in 1949, viel precies tussen de twee perioden van feministisch hoogtij. Ze schreef haar monument (mijn tweedelige vertaling telt maar liefst 836 bladzijden) dus niet geruggesteund door enigerlei feministische beweging. De Beauvoir was een eenling in de regressieve naoorlogse periode, toen het thuismoederschap werd verheerlijkt als nooit tevoren en in de atmosfeer van de Koude Oorlog een verzorgingsstaat werd opgebouwd waarin het traditionele gezin een bolwerk moest vormen tegen het communisme, dat vrouwen tot straatveegsters dreigde te maken.

Ze was evenzeer een eenling als vrouw binnen de gevestigde bohème van het existentialisme, de progressieve Parijse intellectuelen waartoe zij, geslaagd filosofe en romancière, voor het overige met hart en ziel behoorde. Het was dan ook niet alleen in rechtse en roomse kring dat haar boek, dat insloeg als een bom, tegenstand opriep. Maar al veroorzaakte het werk in Frankrijk een schandaal - wat behalve aan De Beauvoirs radicale visie te danken was aan haar vrijmoedige behandeling van menstruatie, zwangerschap, coïtus, lesbianisme en lichamelijk verval - het werd wel direct een bestseller.

De vertalingen, zoals de Amerikaanse van 1952, waren even succesvol. Hoewel een Nederlandse editie pas in 1965 verscheen, wijdde de aloude vereniging Vrouwenbelangen - na enig aarzelen in verband met de gevoeligheden der katholieke leden - al in 1950 een conferentie aan Le Deuxième Sexe. Een van de sprekers daar was F. Buytendijk, wiens kort nadien gepubliceerde De vrouw. Haar natuur, verschijning en bestaan kan worden beschouwd als een reactie op De Beauvoir.

Eenling als ze was, zag De Beauvoir in 1949 het feminisme als een antiquiteit. Feminist werd ze in haar eigen ogen pas een kwart eeuw later, toen ze door een jongere generatie als nog levende oermoeder werd ontdekt en geëerd, en toen ze deels terugkwam op de illusie die ze in 1949 nog koesterde, dat het socialistische systeem haar sekse zou bevrijden. De spanning tussen marxisme, feminisme en existentialisme bleef overigens een van de onopgeloste tegenstrijdigheden in haar politieke denken en doen.

In het eerste deel van Le Deuxième Sexe, 'Feiten en mythen', besprak De Beauvoir de theorieën over het 'zwakke geslacht', zoals die door de eeuwen heen door theologie, biologie, psychoanalyse, historisch-materialisme en wereldliteratuur zijn verspreid. Een overstelpende massa interdisciplinaire kennis waarop ze bewonderswaardig greep houdt. Maar het was vooral deel twee, 'Geleefde werkelijkheid', dat voor de toenmalige lezer schokken in petto had.

Zo omschreef De Beauvoir zwangerschap als een 'monsterlijke zwelling', en begon zij haar paragraaf over moederschap met de gruwelen van de clandestiene abortus. Het is, concludeerde De Beauvoir, precies dat verheerlijkte moederschap dat vrouwen tot slaaf maakt. Het existentialisme getrouw, stelde De Beauvoir dat een mens zich van een zijn-en-soi verheft tot een zijn-pour-soi door transcendentie, en dat bereikt men niet door baren maar door werken. Door moederschap blijft de vrouw steken in 'immanentie', in haar biologische lot, en komt ze niet tot bewust-zijn, tot de overstijging van het lichamelijke waardoor de mens zijn vrijheid bevestigt.

Vrijheid, de kans en de opdracht om het leven als eigen project te zien, was de kern van De Beauvoirs levensfilosofie. Die vrijheid is vrouwen ontstolen doordat mannen zichzelf als subject hebben geponeerd. Zij hebben de vrouw tot object gemaakt, tot 'ander' - tot mindere, niet-handelende ander - en zichzelf tot universele norm. Met succes, want ook vrouwen (volgens De Beauvoir medeplichtigen aan hun eigen onvrijheid) neigen ertoe hen als de 'eerste' sekse te zien, of zelfs niet als een sekse, maar als de mens. Het voornaamste instrument van die collectieve vrouwenonderwerping is de mystificatie 'vrouwelijkheid', een begrip dat door De Beauvoir overtuigend als sociale constructie werd geanalyseerd en naar de prullenmand van het leven verwezen.

Hoewel veel van het materiaal uit De tweede sekse inmiddels gedateerd is, blijven de wezenlijke bestanddelen inspireren: De Beauvoirs vrijheidsdrang (met daaraan gepaard de wijsheid dat wij niet andervrouws geluk kunnen of moeten regelen, maar wel haar vrijheid) plus haar scherpe observaties van hoe het is om van jongs af aan een tweederangs 'ander' te zijn. Die ingrediënten samen vormen haar hoogst eigenzinnige versie van het existentialisme. Want het in Sartres filosofie centrale concept van het autonome individu botst, theoretisch gezien, met De Beauvoirs meer sociologische vaststelling dat vrouwen niet als vrije individuen kùnnen leven omdat zij, wat ze ook presteren, tot sekse worden gecategoriseerd. Aangezien aan zo'n kaste-achtige reductie niet via kleine verbeteringen valt te ontsnappen, was De Beauvoirs oplossing compromisloos: geen huwelijk, geen kinderen, geen emotionele of financiële afhankelijkheid; wel werk, inkomen en mannen.

De Beauvoir mag dan de heldin van het nieuwe feminisme zijn geworden (zo is het radicaal-feministische The Dialectic of Sex (1970) door de auteur, Shulamith Firestone, opgedragen aan Simone de Beauvoir who endured), er waren er ook die haar levensstijl en speciaal haar afkeer van het moederschap als 'masculinistisch' bekritiseerden. Zij zagen haar onhuiselijkheid (ze woonde jarenlang in hotels) niet als blijk van bevrijding, maar als de ontkenning van al het schoons dat vrouwelijkheid de wereld te bieden heeft.

Anders dan De tweede sekse verwierven De Beauvoirs in brede kring gelezen romans nooit de status van feministische bijbels. Wel werden haar memoires door velen genoten als reportages uit een vrijgevochten vrouwenleven. Dat beeld echter is sinds de dood van Sartre en 'Castor' (bever, haar koosnaampje omdat ze als studentje al zo'n werkdrift had) verstoord. De ontluisterende 'familie'-ruzies rond Sartres nalatenschap en de recente biografieën over het fameuze schrijverspaar lieten weinig heel van het zorgvuldig gecreëerde imago van twee vrije, slechts door liefde verbonden individuen, en van De Beauvoir als feministisch praktijkvoorbeeld. Daarmee is het project dat haar leven was, aangetast. Haar werk blijft overeind als een fundamentele ondermijning van het mannelijk-chauvinistische wereldbeeld.