De onbekende dienstplichtige

In Den Haag is deze week het Dienstplichtmonument onthuld; naar de foto's te oordelen een sculptuur waarin het abstracte de overhand heeft op het figuratieve. Het zal dus veel vermaak geven en verontwaardiging veroorzaken en binnenkort zal het ook wel een leuke bijnaam hebben gekregen. Ik vind: je moet het zelf hebben gezien om erover te kunnen oordelen en daarom kan ik over het monument zelf nog niets zeggen. Maar wel over het idee.

In geen ander land, bij mijn weten, staat een standbeeld voor de Onbekende Dienstplichtige. Wel van de Onbekende Soldaat, die dan is weergegeven terwijl hij zijn werk doet. In de visie van de kunstenaar is dat over het algemeen het wijzen in de richting van de vijand, de vlag hijsen op een puinhoop of op een paard zitten. Alle landen met een rijk oorlogsverleden hebben dergelijke monumenten. Niet lang na de Eerste Wereldoorlog kreeg de universiteit van Berlijn een beeld dat een soldaat voorstelt die een handgranaat gooit. Joseph Roth heeft er toen een commentaartje in de Frankfurter Zeitung aan gewijd. Daarin vraagt hij zich af of degenen die dit in brons vastgelegde tafreel van gevorderde techniek (de handgranaat) en vaderlandsliefde (het gooien) er weleens bij hebben stilgestaan wat er te zien is nadat het ding het doel heeft bereikt en is ontploft. Hoorde zo'n beeld wel thuis in een universiteit? Velen vonden dat Roth niet zulke defaitistische vragen moest stellen.

Onze oorlogsmonumenten zijn, afgezien van de kunstzinnigheid, uitzonderlijk omdat ze de oorlog symboliseren met vermijding van nationalistische militaire krijgshaftigheid. In Rotterdam heeft kort na de oorlog een blauwe maandag een admiraal op een sokkel gestaan, Karel Doorman. Zijn 'Ik val aan, volg mij' is voor de geschiedenis bewaard gebleven; zijn beeld is na een paar dagen 's nachts door anoniem gebleven kunstenaars omver getrokken en nooit meer overeind gezet. Dat veroorzaakte ook weer verontwaardiging. De kritiek gold vooral de pet van de admiraal. Te groot; deed teveel denken aan de petten waarvan we juist waren bevrijd. Maar achteraf bezien is het misschien meer het geheel van militaire onvervaardheid geweest dat er bij het publiek niet in wilde. Nederlandse oorlogsmonumenten die moed symboliseren tonen meestal burgers.

In deze traditie past een monument voor onze Onbekende Dienstplichtige. Hij kan het niet helpen dat er in het jaar of de achttien maanden die hij in 's konings rok heeft gelopen, geen oorlog is uitgebroken waarin hij zijn monumentwaardigheid heeft kunnen bewijzen. Maar niet vechtend heeft hij, of hebben al zijn lichtingen, bijgedragen tot de afschrikwekkende werking van het westelijk bondgenootschap. En recente vondsten in de archieven van de Sovjet-Unie tonen aan dat Stalin uitgewerkte plannen had om West-Europa te veroveren - met alle gevolgen van dien. Het lot van de geslaagde preventie is dat die niet wordt beloond.

Wat deden de dienstplichtigen in hun preventieve aanwezigheid? Soms gingen ze oefenen in La Courtine (dat is in een inmiddels vergeten liedje vastgelegd) of op de Lünenburgerheide. Ze poetsten hun wapens en hun schoenen, ze excerceerden, gingen 's avonds de kroeg in en boden over het algemeen het hoofd aan een onmetelijke verveling. Dat is iets anders dan het hoofd bieden aan het moordend vuur van een vijand; maar zoals we nu weten, het had gekund. Is de passieve aanwezigheid geen monument waard?

De Nederlandse beschaving is niet ontvankelijk voor standbeelden. Ik verwijs naar een vroeg essay van W.F. Hermans, De lange broek als mijlpaal in de cultuur waarin hij uitlegt dat het beter voor onze beeldhouwkunst was geweest als Thorbecke naakt op zijn plein had gestaan. Een paar jaar hebben we een rage gehad: het oprichten van beelden voor kleinkunstenaars. Maar intussen zijn Wim Kan en Corrie Vonk van het Leidseplein naar Aalsmeer versleept. We mogen we van geluk spreken dat koning Willem I op het Plein 1813 nog steeds op zijn paard zit, want dit naar Nederlandse maatstaven gemeten reuzenstandbeeld is anti-traditioneel.

Een standbeeld voor de Onbekende Dienstplichtige past dus volmaakt in de Nederlandse traditie die de anonieme gewoonheid tot deugd verheft. De maker, Shinkichi Tajiri kent onze volksziel door en door. Ik vertrouw erop dat hij de dienstplichtigheid in het wezen heeft getroffen. Natuurlijk is er alweer een volkswoede ontstaan over het honorarium dat de gemeente Den Haag de kunstenaar heeft betaald. Laat hij noch de gemeente zich daarover ongerust maken. Deze woede bevestigt hun gelijk. Hierna een beeld van de Onbekende Belastingbetaler. Daarmee kan in deze tijd de openbare beeldhouwkunst volstaan.