Criteria later opgesteld; Maatstaven technolease ontbraken

DEN HAAG, 28 FEBR. Het ministerie van Financiën beschikte niet over criteria waarmee de belastingdienst kon toetsen of technolease volgens de wet was toegestaan toen Philips en Fokker in 1993 en 1994 deze fiscale constructie werd gegund.

Dit blijkt uit informatie die NRC Handelsblad met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) van het ministerie van Financiën heeft verkregen.

Oud-minister J.E. Andriessen (Economische Zaken) zei deze maand in het televisieprogramma Buitenhof dat dergelijke criteria destijds wel bestonden. Volgens Andriessen was de technolease voor Philips in 1993 - de verkoop van technologie aan de Rabobank à 2,8 miljard gulden waarmee de multinational op de been werd gehouden en de bank een fiscaal miljoenenvoordeel verwierf - het gevolg van “een algemene maatregel”. Hij zei daarover: “Alle deskundigen kennen die criteria. Dat zijn aanschrijvingen aan [belasting]inspecteurs en daar kan je kennis van nemen. (...) Dus het is niet geheim. Het was ook voor iedereen.”

Uit de informatie van Financiën blijkt evenwel dat het departement pas officieel criteria heeft opgesteld nadat Fokker in juli 1994 een technolease van 2,1 miljard gulden toegezegd had gekregen. Het feit dat deze regels destijds niet bestonden is van belang voor Europees commissaris Van Miert (Mededinging). Hij zei eerder dat fiscale steun zoals technolease alleen is toegestaan als een EU-lidstaat “toetsbare en objectieve criteria” opstelt zodat de steun “toegankelijk is voor alle ondernemingen”. Van Mierts woordvoerder W. Hélin zei vanochtend desgevraagd dat “in dit geval kennelijk een maatpak-regeling is getroffen. Dat kan niet”.

NRC Handelsblad vroeg naar aanleiding van de uitspraak van Andriessen in Buitenhof “alle aanschrijvingen” voor technolease bij Financiën op en kreeg van het departement twee documenten. De eerste aanschrijving over technolease is van 18 augustus 1994, waarin directeur-generaal belastingen J. van Lunteren de hoofden van de Belastingdienst informeert over het bestaan van een ambtelijke werkgroep die criteria voor technolease moet opstellen. Van Lunteren schrijft dat over “lopende en nieuwe gevallen” van technolease pas besloten kan worden als de “op de korte termijn te verwachten criteria” gereed zijn. “In verband daarmee verzoek ik hen zich tot dat moment van enigerlei toezegging of besluitvorming (...) te onthouden”, aldus Van Lunteren op 18 augustus 1994.

Oud-minister Andriessen wil nu niet reageren op de informatie van Financiën.

Pagina 15: Onderzoek Van Miert

De tweede aanschrijving die het departement heeft overlegd, is van 26 augustus 1994 waarin aan de hand van het advies van de werkgroep de criteria voor technolease worden gesteld. Deze aanschrijving houdt formeel de mogelijkheid voor technolease open, maar wordt door betrokkenen en fiscaal deskundigen aangeduid als “het einde van de technolease”. Sinds deze aanschrijving heeft de Belastingdienst geen gevallen van technolease meer goedgekeurd.

Van Miert is vooral geïnteresseerd in het bestaan van “toetsbare en objectieve criteria” omdat DAF en Nedlloyd geen arrangement voor een technolease kregen toegezegd in dezelfde periode dat Philips en Fokker de regeling wel mochten gebruiken. De Algemene Rekenkamer kwam in een rapport van oktober vorig jaar al met de waarneming dat er geen criteria bestonden toen Philips en Fokker hun technolease kregen; Van Miert heeft dit rapport bij de Nederlandse regering opgevraagd.

De conclusie van de Rekenkamer is van officiële zijde steeds tegengesproken. Ook Andriessen ontkende in Buitenhof ten stelligste dat er sprake was van concurrentievervalsing. “Hier was niets met discriminatie. Hier werd niet het ene bedrijf anders behandeld dan het andere”, aldus de oud-minister toen. Gisteravond wilde Andriessen niet reageren op de informatie van Financiën. “Ik ga daar geen reactie op geven”, aldus de oud-minister, die geen nadere vragen wilde beantwoorden.