Correspondentie van Hannah Arendt; In een klimaat van abstracte lucht

Hannah Arendt/Heinrich Blücher: Briefe 1936-1968. Herausgegeben und mit einer Einführung von Lotte Köhler. Piper, 596 blz. ƒ 65,60 Hannah Arendt/Hermann Broch: Briefwechsel. 1946 bis 1951. Herausgegeben von Paul Michael Lützeler, Jüdischer Verlag (Suhrkamp), 262 blz. ƒ 65,60

Onwaarschijnlijke huwelijkspartners waren ze, dat beseften Hannah Arendt en Heinrich Blücher zelf ook toen ze elkaar in Parijse ballingschap ontmoetten. 'Alles spricht dagegen', schreef Arendt in 1936 in één van haar eerste brieven aan Blücher over de ontluikende liefde: 'we zullen geen gemeenschappelijke wereld hebben.' Het enige dat hen vooralsnog verbond was de na januari 1933 noodzakelijk geworden vlucht uit nazi-Duitsland, voor haar, omdat ze er als jodin niet langer veilig was, voor hem, vanwege zijn radicale communistische overtuigingen. De achtergronden van Hannah Arendt (1906-1975) en Heinrich Blücher (1899-1970) verschilden totaal. Arendt kwam uit een geassimileerde joodse familie, had het gymnasium doorlopen, theologie en filosofie gestudeerd, en was nog voor haar vertrek uit Duitsland gepromoveerd bij Karl Jaspers. Tijdens haar Parijse ballingschap werkte ze voor de zionistische organisatie 'Youth Aliyah', niet omdat ze zich bekeerd had tot het joodse nationalisme, maar omdat het zionisme midden jaren dertig in haar ogen een rationele joodse belangenpolitiek bedreef, zoals ze Blücher antwoordde. Die had Arendt verweten, dat ze zich voor de kar van het Britse imperialisme, en dús voor het fascistoïde kapitalisme had laten spannen. Voor Blücher, een autodidact, afkomstig uit een Berlijns arbeidersgezin en voormalig lid van de revolutionaire Spartakus-bond en de Duitse communistische partij, kon de joodse emancipatie alleen slagen wanneer ze onderdeel werd van de wereldomspannende strijd tegen het kapitalisme. Blücher en Arendt, het was een onwaarschijnlijk echtpaar toen zij in 1940, één jaar voor hun tweede gedwongen vertrek, nu vanuit het verslagen en halfbezette Frankrijk naar de Verenigde Staten, trouwden: zij voor de tweede, hij voor de derde keer. De ontmoeting in 1936 was het begin geworden van een intense, levenslange dialoog.

Een dialoog, een gesprek - als denkers waren Arendt en Blücher socratici. Argumenten, of liever, tegenargumenten waren voor hen een manier van ademhalen. Als docenten aan verschillende Amerikaanse universiteiten, en zij ook als politiek-filosofe, zochten ze het debat, het gesprek. Ze genoten ervan. 'Sprechen miteinander: the real thing', schreef Blücher kenmerkend in 1963, bijna aan het slot van de thans uitgegeven briefwisseling. Die correspondentie documenteert dan ook de uitzonderingsmomenten van hun huwelijksleven, die momenten namelijk dat Arendt op reis was, in Europa, het Midden-Oosten, of elders in de Verenigde Staten en ze gedwongen waren hun gesprek per brief voort te zetten. Telefoneren bleef tot in de jaren zestig een uitzondering, het was te duur. Pas vanaf 1961 vergezelde Blücher zijn vrouw op haar jaarlijkse pelgrimage naar haar leermeester en intellectuele mentor Karl Jaspers in Zwitserland, het was zijn eerste Europese reis sinds 1941. Naar Duitsland zou hij helemaal niet meer gaan.

Angsten

De omvangrijke briefwisseling beslaat vooral de eerste vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog. Wanneer Arendt van huis was, schreef ze een aantal keren per week naar New York. Ballingschap, Franse internering, vlucht en Tweede Wereldoorlog hadden de twee echtelieden emotioneel van elkaar afhankelijk gemaakt; het was een angstige 'gemeinsame Welt' die het lot hun beschoren had. Blücher is voor de 'heimatlos' ronddolende Arendt haar 'Zuhause'. Radeloos is ze wanneer zijn antwoordbrieven uitblijven. De naoorlogse politieke stabiliteit in het Westen komt beiden onwerkelijk voor. Permanent vrezen ze een nieuwe uitbarsting van de 'Weltgeschichte', waardoor hun leven opnieuw volledig ontregeld zou worden. De blokkade van Berlijn, de Korea-oorlog, Hongarije, Suez en Cuba, bij iedere crisis breekt de Derde Wereldoorlog uit.

Deze angsten zijn ook prominent aanwezig in de vrijwel tegelijkertijd verschenen correspondentie tussen Hannah Arendt en de Oostenrijkse auteur Hermann Broch (1886-1951). Wanneer de Noordkoreanen het zuiden binnenvallen vreest hij direct een Russische aanval op Tito's Joegoslavië: de start van een nieuwe Europese catastrofe.

Er zijn inmiddels vijf briefwisselingen met Arendt uitgegeven. Behalve met Blücher en Broch zijn dat haar correspondenties met Karl Jaspers, met Mary McCarthy en met de zionistische leider Kurt Blumenfeld. Een uitgave van de brieven van Arendt en Heidegger is in aantocht. Helaas lijdt de briefwisseling Arendt/Broch aan hetzelfde euvel als de correspondentie Arendt/McCarthy: Arendts stem is relatief zwak. Met McCarthy telefoneerde ze graag, Broch heeft haar brieven grotendeels zoekgemaakt. Voorzover de dialoog met de Oostenrijker te volgen is, is dat te danken aan de wel zeer uitbundige annotatie.

Toch is er veel interessants te vinden. Broch en Arendt hielden zich na de oorlog met vrijwel exact dezelfde onderwerpen bezig. Arendt werkte aan haar opus magnum The Origins of Totalitarianism, Broch schreef aan zijn pas ver na zijn dood uitgegeven, onvoltooid gebleven Massenwahntheorie. Ofschoon Arendt Broch vooral als romanschrijver hoog achtte debatteerde ze met hem over de totalitaire massa-ideologieën en de grondslagen van de mensenrechten.Brochs natuurrechtsidee vond ze achterhaald. Mensenrechten, rechten überhaupt, lieten zich volgens haar uitsluitend nog door politiek handelen, door de staat der burgers, verwezenlijken. Het was een opvatting die stoelde op haar ervaringen als staatloze, en dus rechteloze, emigrante.

Heidegger

Een centraal thema in beide briefwisselingen is het naoorlogse Duitsland. De roman Die Schuldlosen uit 1951 was Brochs bijdrage aan een debat dat vijf jaar daarvoor met Jaspers' Die Schuldfrage was geopend. Arendt zelf publiceerde haar essay over 'georganiseerde schuld' waarin zij daders en slachtoffers als willoze radertjes van de totalitaire machtsmachine voorstelde. Ze rapporteerde Blücher uitgebreid over de Duitse situatie. Tijdens haar eerste 'trip in die Vergangenheit' in 1949 zag ze haar bangste vermoedens bevestigd. De Duitse bevolking wilde het verleden niet onder ogen zien. Met domheid en zelfbedrog hielden de Duitsers zich op de been. De taal, het landschap en de weinige ongeschonden steden, ze zijn voor haar van een 'täuschende Vertrautheit'. Dat gevoel zou niet verdwijnen. Halverwege de jaren vijftig vermoedt ze achter de 'blitznagelneue' façade van het Wirtschaftswunder slechts bekrompenheid, huichelarij en ressentiment. Wanneer in 1966 de 'Grosse Koalition' van CDU en SPD aantreedt, heeft ze het gevoel dat de Duitsers en passant een nieuwe staatsvorm bedacht hebben: 'die Zwei-Parteien-Diktatur'.

Eén zorgelijk aspect van het Duitsland van de jaren vijftig was voor Arendt de enorme populariteit van Martin Heidegger, de filosoof met wie zij als studente een liefdesaffaire had gehad. Heidegger had de nazi's gesteund. Na 1945 kreeg hij door de Franse bezettingsautoriteiten een doceerverbod opgelegd, dat al in 1951 werd opgeheven. Het jaar daarop zaten zijn collegezalen weer vol. De passages over Heidegger en Jaspers uit de correspondentie Arendt/Blücher zijn wat mij betreft de vermakelijkste. Opnieuw is er, net als in de brieven aan Jaspers, die grenzeloze bewondering voor de filosoof, een verering waar ook Blücher aan mee deed.

Vond de nog altijd links-radicale Blücher in 1946 de 'Schuldbroschüre von Jaspers' schijnheilig christelijk-piëtistisch 'Reinigungsgebabbel' (der Bursche redet wie ein Pfaffe), wanneer hij in 1948 van zijn communistische geloof is gevallen, dan is het mede Jaspers' filosofie geweest die hem tot het inzicht bracht dat de 'Rationalmagie des Kommunismus' niet deugde. Als Blücher twee jaar later Jaspers' Existenzphilosophie uit 1938 leest, schrijft hij Arendt: 'het is een intens troostrijke gedachte dat juist dit werk in Duitsland tijdens Hitler geschreven is, want dit is de eigenlijk metafysische en daarmee grootste en centrale prestatie van het Duitse verzet.' Vervolgens projecteert hij het zo juist verworven ontzag voor de filosoof op de oorlogsjaren: 'als Jaspers eens wist hoe hij al die tijd in onze discussies aanwezig was en in morele vraagstukken als maatstaf gold'. Het is helemaal de toon van Arendt die Jaspers vijfentwintig jaar lang aanschreef als 'lieber Verehrtester'. Toch is er in de briefwisseling soms een kritische en geïrriteerde toon ten aanzien van Jaspers te bespeuren, ook bij Arendt. Eind jaren vijftig wekte de filosoof haar wrevel met zijn onophoudelijke gemoraliseer en zijn bemoeienis met Arendts verhouding tot Heidegger.

Israel

Die na de oorlog hernieuwde, nu strikt platonische relatie, werd vooral door toedoen van Heideggers vrouw Elfride ernstig gecompliceerd. 'Zolang ik leef, is dit stikjaloerse mens bereid alle joden te verzuipen', brieft Arendt aan Blücher als Frau Heidegger tijdens haar bezoek aan Martin Heidegger een scène heeft staan maken. Het is een dom kreng, meent Arendt, zeker nadat ze de bibliotheek van Elfride Heidegger heeft bekeken. Afgezien van het dozijn ongelezen boeken dat ze van haar man kreeg, staat er slechts rommel op de planken. En dat terwijl er nog talloze manuscripten van haar man liggen: als ze die nu eens netjes had uitgetypt!

Interessant zijn ook de opmerkingen waaruit blijkt dat Arendt, de geassimileerde Duitse jodin, niet kritiekloos stond tegenover de joodse gemeenschappen waarmee ze in aanraking kwam. Als secretaris van de Jewish Cultural Reconstruction, een vennootschap dat fondsen wierf voor het behoud van het Europees-joodse erfgoed, bezocht ze vanaf 1949 regelmatig joodse organisaties in Europa en reisde ze naar Israel. De Duitse joodse organisatie vond ze 'een verwilderde en laaghartige roversbende'. Dat de joodse staat überhaupt functioneerde, was te danken aan de inbreng van de Duitse joden, 'wat die voor elkaar gebokst hebben in de zwijnenstal van het Midden-Oosten'.

Arendt was diep teleurgesteld in de staat Israel: de door haar verdedigde confederatie van joden en Arabieren had geen kans gekregen. Al snel was er een etnisch-joods nationalisme ontstaan dat haar sterk herinnerde aan het Duitse nationalisme van de Republiek van Weimar, compleet met kampvuur en strijdliederen. Wanneer ze in 1961 in Jeruzalem het Eichmann-proces bijwoont, beschrijft ze het Israelische publiek voor het gerechtsgebouw als een 'oriëntaalse meute: het Europese element is sterk teruggedrongen alsof men in Istanbul of een ander half-Aziatisch land is'.

Het vooroordeel van de assimilante beperkte zich niet tot de onderlaag. Als de schrijver Arthur Koestler in Koude-Oorlogs-taal publiekelijk zijn communistische verleden afzweert, schrijft ze Broch: 'Dit is toch werkelijk weerzinwekkend. Deze Hongaarse joden à la Koestler worden niet daardoor aangenamer, dat men Hitler het recht had moeten ontzeggen, ze dood te slaan.'

Het aardige van Arendts briefwisselingen is dat er zoveel details in staan. Zo weet ik nu dat Arendt piano speelde en dat ze behalve Plato, Kant en Nietzsche ook wel eens een Maigret van Simenon verslond. Ook hield ze van lekker eten. Jarenlang wisselde ze met Gertrud Jaspers recepten uit en als ze uit het oncomfortabele Engeland naar Parijs vliegt, is 'ordentlich fressen' het eerste wat ze in de Franse hoofdstad doet. Een dergelijke alledaagsheid was in de intellectuele kringen waarin Arendt verkeerde niet gebruikelijk. De treffendste karakteristiek van dit intellectuele klimaat, dat wortelde in de idealistische Duitse Bildungstraditie, is afkomstig van een van de zonen van Heidegger. Als deze zoon samen met Arendt een college filosofie van zijn vader heeft bijgewoond, merkt hij tegen haar op: 'Ja, hier weht eine ganz abstrakte Luft.' Het is de spijker op zijn kop geslagen. Abstracte lucht ademden deze intellectuelen. Abstracte lucht is het, wanneer Broch ieder pragmatisme 'denkerisch unbefriedigend' acht en op zoek gaat naar een 'a-deïstische Metaphysik'. Haast onnavolgbaar is Blücher in zijn oordeel over Jaspers als filosofische verzetsheld. Abstract zijn Arendts bespiegelingen over de politiek, als 'de plaats waar vrijheid realiteit wordt'. Aan voorbeelden uit Jaspers' en Heideggers 'Existenzphilosophie' begin ik niet eens. 'Eine ganz abstrakte Luft' - het is een intellectuele cultuur die definitief tot het verleden behoort.