Athene vreest dat de EU Turks-Cyprus voortrekt

ATHENE, 28 FEBR. EU-Commissaris voor Buitenlandse Zaken Hans van den Broek geniet bij de Grieken van dit eiland het laatste jaar een betere reputatie dan in Griekenland, waar hij als 'Turkenvriend' bekendstaat. Nadat de EU in maart 1995 had besloten dat de onderhandelingen over Cyprus' toetreding zullen beginnen zes maanden na de Intergouvermentele Conferentie, heeft Van den Broek herhaaldelijk gestipuleerd dat de Turken, en ook de Turks-Cyprioten, deze toetreding niet zullen mogen blokkeren.

Een oplossing van het opdelingsprobleem vóór de toetreding was natuurlijk wenselijk, maar Cyprus mocht geen 'gijzelaar' worden van een Turkije dat opzettelijk zo'n oplossing tegenhield, aldus de Commissaris die daarmee ontstemming opriep in de Turkse pers (zonder dat dit tot de vastelands-Grieken doordrong).

Met zulke woorden onderscheidde Van den Broek zich van ministers van Buitenlandse Zaken als de Duitser Kinkel en de laatste tijd ook de Brit Rifkind, die stellen dat Cyprus niet kan worden toegelaten voordat een oplossing voor de eigen problemen is bereikt. De EU kan het zich niet veroorloven een dergelijke brandhaard binnen te halen, kan men horen. Maar ook Van den Broek vertoont de laatste tijd tekenen dat hij een heel eind met dit standpunt kon meegaan.

Op zijn bezoek aan Cyprus heeft Van den Broek de afgelopen dagen een moeilijke en weinig dankbare missie gehad. Hij moest contacten opnemen met Kliridis, de president van de republiek, die ook door de EU als enig staatshoofd wordt erkend, maar ook met de leider van de Turkse gemeenschap, Denktas, wiens 'Turkse republiek Noord-Cyprus' alleen in Ankara erkenning vindt. De Grieken zien zulke contacten ongaarne, maar in het ook door hen ondertekende akkoord van 6 maart 1995 staat dat de aansluiting mede de Turks-Cyprioten (viermaal armer dan de Grieks-Cyprioten) ten goede moet komen en dat de EU-commissie deze moet zien te overtuigen van de voordelen van zo'n aansluiting. Zowel Ankara als Denktas stelt tot nu toe dat Cyprus geen lid mag worden voor Turkije (dat de aanvragen veel eerder heeft ingediend).

Bij de ministersconferentie, gewijd aan de Cyprische associatie, die maandag en dinsdag onder leiding van staatssecretaris Patijn in Brussel is gehouden, stuitte een door de voorzitter opgestelde formulering op grote weerstand van de Griekse plaatsvervangend minister Papandreou. De wenselijkheid werd uitgesproken dat “het perspectief op een politieke oplossing zo duidelijk zal worden dat alle Cyprioten kunnen worden betrokken in het proces van toetreding.” Dit lijkt een zeer onschuldige verklaring, maar de Griekse regering, en vooral minister van Buitenlandse Zaken Pángalos ervaart het als een oproep, de (“onwettige”) Turkse staat op Cyprus te betrekken bij de onderhandelingen, iets wat in 1995 niet was afgeproken. De vrees wordt hier zelfs uitgesproken dat de toetreding afhankelijk wordt gesteld van een referendum onder de Grieks- en Turks-Cyprioten afzonderlijk.

Het was vanuit deze vrees, die velen paranoïde zullen noemen, dat Pángalos kwam met zijn uitspraak over een “crimineel en tamelijk dwaas standpunt” dat de grote mogendheden het voorzitterschap zouden hebben opgedrongen. Cyprus behoort nu voorrang te hebben op het pad naar toetreding en als de EU dit blokkeert door de Turken te begunstigen, zal Athene op zijn beurt de aansluiting van Oosteuropese landen blokkeren, aldus de minister.

Het was opvallend dat op Grieks-Cyprus meteen andere geluiden waren te horen. Weliswaar betreurde men ook daar het standpunt van de 'veertien', maar regeringswoordvoerder Kasoulidis nam wat Pángalos' reacties betreft, het woord “overdreven” in de mond. Al eerder was gebleken dat de Cyprische minister van Buitenlandse Zaken Michailídis - die volgende week begint aan een reis langs Athene en Westeuropese hoofdsteden - anders denkt dan Pángalos. Deze laatste zegt dat “oplossing van het probleem-Cyprus en aansluiting van Cyprus bij de EU niets met elkaar te maken hebben.” Michailídis erkent dat de kwesties zijn verstrengeld, en heeft dus ook meer begrip voor Van den Broek, die bij aankomst op het eiland zei dat oplossingen van de beide problemen gelijke tred kunnen houden.

De vraag is of de bezonnen opstelling van de Grieks-Cyprische leiding een kalmerende invloed kan hebben op de driftige Griekse minister, over wie ook velen in Griekenland verzuchten “dat het een zegen zou zijn als hij zich eens een week stil zou houden”. Zijn houding lijkt mede ingegeven door de weer toenemende Turkse luchtschendingen en nieuwe aanwijzingen dat de Turkse legerleiding het beheer over de helft van de Egeïsche Zee, inclusief Kreta, in twijfel trekt.

Maar deze dreigingen, zeggen tegenstanders van Pángalos die men ook op het ministerie van Buitenlandse Zaken kan vinden, zouden er juist toe moeten bijdragen dat we meer welwillendheid en sympathie wekken bij het Westen, iets waarheen de regering-Simitis op weg leek te zijn. Donderpreken als van Pángalos (de leider van de linkse partij, Konstandópoulos, spreekt van “verbaal krachtsvertoon”) dreigen het land weer terug te brengen in de periode van de Macedonische crisis, toen niemand buiten Griekenland het land meer begreep. Het toen ingestelde embargo tegen het land van Skopje wordt ook nu hier vrijwel algemeen als een fout bestempeld. Bij blokkering van de aansluiting van Oost-Europa zou deze blunder in het niet vallen - Athene zou zonder reden tien nieuwe hoofdsteden tegen zich krijgen. En, om met de voormalige president van Cyprus, Vasiliou, te spreken: het ergste zal zijn als er noch een oplossing, noch Europese aansluiting voor Cyprus komt.