Advies Hoge Raad negatief wegens gevaar foltering; Twist Turkije en Nederland om uitlevering

ROTTERDAM, 28 FEBR. Turkije is geïrriteerd omdat Nederland nog niet de 41-jarige Koerd Huseyin Baybasin heeft uitgeleverd. Een vertegenwoordiger van de Nederlandse ambassade in Turkije is onlangs op het matje geroepen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in Ankara. Volgens de Turkse justitie is Baybasin betrokken geweest bij een grootschalig heroïnetransport in 1992.

In december 1995 werd voor het eerst door Turkije om uitlevering gevraagd. Volgens een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken is twee weken geleden, op 14 februari, “nogmaals bepleit dat uitlevering van Baybasin van groot belang is voor Turkije”. Ook hebben de Turkse autoriteiten hun ontstemming geuit over het interview van Baybasin in de Volkskrant begin deze maand.

Baybasin, die zichzelf als 'zakenman' omschrijft, ontkent het hem door de Turkse justitie ten laste gelegde heroïnetransport. Naar zijn zeggen is de werkelijke reden van het uitleveringsverzoek dat de Turkse overheid hem het zwijgen wil opleggen. Baybasin heeft de afgelopen jaren in de Turkse media verscheidene keren beweerd uit eigen ervaring te weten dat vertegenwoordigers van Turkse staatsorganen leiding geven aan de internationale heroïnehandel. Beschuldigingen van deze strekking herhaalde Baybasin kortgeleden in een interview voor de Amsterdamse zender Migranten-TV. In Turkije zijn deze week twee Turkse privé-televisiekanalen, Kanaal-D en Show-tv, gestraft voor het uitzenden van een interview met Baybasin.

Huseyin Baybasin werd in december 1995 in Nederland aangehouden op verzoek van de Turkse overheid. Eind vorig jaar heeft de Hoge Raad de minister geadviseerd geen gehoor te geven aan het verzoek van Turkije om Baybasin uit te leveren. Baybasin loopt, schrijft de Hoge Raad, gevaar te worden gefolterd “en zelfs zou hij hebben te vrezen voor zijn leven”. Volgens Nederlandse artsen vertoont het lichaam van Baybasin diverse sporen van marteling.

In de zaak-Baybasin is door het ministerie van Justitie de Turkse autoriteiten om “aanvullende informatie” gevraagd. “Zodra die informatie binnen is kan de minister een beslissing nemen”, aldus een woordvoerder van het ministerie. Of aan de Turkse autoriteiten garanties zijn gevraagd dat Baybasin bij terugkeer niet zal worden gefolterd, wilde de woordvoerder niet zeggen.

Van 1984 tot 1989 zat Baybasin in een Britse gevangenis wegens handel in verdovende middelen. In 1989 werd hij uitgeruild tegen een Brit die in Turkije tot levenslang was veroordeeld. Begin jaren '90 werd hij naar zijn zeggen door de politie gemarteld omdat hij niets meer met de handel in heroïne te maken wilde hebben. Na een aanslag op zijn leven vluchtte hij Turkije uit.

Baybasins omstreden bewering, dat hij met medeweten en hulp van de Turkse autoriteiten in de jaren tachtig bij de internationale drugshandel betrokken is geweest, won onverwacht aan kracht na het zogeheten Susurluk-ongeluk. Op 3 november 1996 vonden bij de plaats Susurluk aan de westkust van Turkije drie mensen de dood bij een verkeersongeluk. In de auto die bij dit ongeluk was betrokken verongelukten onder meer de extreem-rechtse, voortvluchtige misdadiger Abdullah Çatli en de hoge politiefunctionaris Hüseyin Kocadag. Ook schoonheidskoningin Gonca Us vond de dood. De Koerdische parlementariër Sedat Bucak, Kamerlid voor de partij van Çiller, bleef in leven. Sindsdien is Turkije in de ban van de banden tussen diverse staatsorganen, mafiagroepen en politici.

Het 'Susurluk-schandaal' leidde vrijwel onmiddellijk tot het ontslag van de minister van Binnenlandse Zaken en het voormalige hoofd van de politie, Mehmet Agar. Onder het valse identiteitsbewijs en de wapenvergunning van Abdullah Çatli, stond de handtekening van Agar. Samen met de huidige minister van Buitenlandse Zaken en vice-premier, Tansu Çiller, die in de jaren daarvoor premier was, wordt Agar verantwoordelijk gehouden voor de overname van het speciale staatsbureau voor de terreurbestrijding door extreem-rechtse misdadigers. Dat zou zijn gebeurd, mede met instemming van de Nationale Veiligheidsraad, die bestaat uit de president, de legerstaf en de regering.

Baybasin noemt op het kantoor van zijn Amsterdamse advocaat V.Koppe, het Susurluk-ongeluk “een daad van God”. Zijn beschuldigingen aan het adres van de Turkse overheid wordt er eens te meer door ondersteund. Hij geeft desgevraagd toe dat hij in de heroïnehandel heeft gezeten, maar zegt hij: “Illegale praktijken heb ik altijd uitgevoerd samen met de mensen die officieel tot taak hadden die praktijken te bestrijden. Anders gaat het ook niet.”

Naar aanleiding van het Susurluk-ongeluk heeft de Turkse moslim-fundamentalistische premier, Necmettin Erbakan, december vorig jaar in het parlement een lijst aan president Suleyman Demirel overhandigd, met 58 namen van mensen die betrokken zijn bij “duistere activiteiten”, waaronder de smokkel van heroïne. Het dagblad Hürriyet van 24 december 1996 was één van de periodieken die melding maakte van de namen. De eerste naam was die van Mehmet Agar, voormalig minister van Justitie en van Binnenlandse Zaken en gewezen algemeen directeur van politie en Justitie. Hij geniet als parlementslid bescherming tegen strafvervolging evenals het parlementslid Sedat Bucak die als enige het auto-ongeluk van Susurluk overleefde. Verder werd genoemd Korkut Eken, een belangrijk man in de geheime dienst MIT en medewerker van Agar.

Huseyin Baybasin staat ook op deze lijst evenals Ali 'Direj' Yasak, lid van de Turkse mafia en de Grijze Wolven. Eveneens Grijze Wolf en mafiabaas is de bij Susurluk omgekomen Abdullah Çatli. Ook Haluk Kirci is Grijze Wolf en wordt vanaf 1980 gezocht vanwege moorden op linkse studenten. Hij is een keer aangehouden en zogenaamd gevlucht en wordt de plaatsvervanger van Çatli genoemd. Tarik Ümit, medewerker MIT, is doodgeschoten, maar zijn lijk werd nooit gevonden. Verdachte van de moord: Korkut Eken. Lütfü Topal werd doodgeschoten, op het moordwapen stonden de vingerafdrukken van Çatli. Volgens Baybasin is de familie Demirel zelf ook bij duistere praktijken betrokken. Via de door de zoon van Suleyman Demirel, Yahya Demirel, opgerichte bank 'Kibris Yatirim Bankasi' zou jarenlang geld uit de internationale heroïnehandel zijn witgewassen.

Criminoloog F. Bovenkerk, die voor de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden (commissie Van Traa) onder meer de Turkse georganiseerde misdaad in Nederland onderzocht, heeft Baybasin circa twintig keer in de gevangenis een bezoek gebracht. Bovenkerk en zijn medewerker Y.Yesilgöz bereiden een boek voor over de betrokkenheid van Turkse overheidsorganen bij de internationale drugshandel. Zij noemen Baybasin, voor zover zij hebben kunnen nagaan, een betrouwbare bron.