Twaalfduizend vragen per dag

De BelastingTelefoon wordt op het ogenblik circa 12.000 maal per dag gebeld met vragen over de belastingaangifte 1996. In welke situatie kan de belastingbetaler geld terugverwachten? Zijn studiekosten aftrekbaar? Hoe zit het met de auto van de zaak? Op deze pagina, samengesteld door John Kroon: antwoorden op de meest gestelde vragen.

BILJETTEN Voor de aangifte van inkomstenbelasting en vermogensbelasting bestaan dertien verschillende biljetten, te herkennen aan een of twee letters.

Biljetten P en E De aangiftebiljetten P en E komen het meest voor. Zij zijn bestemd voor particulieren die inkomstenbelasting moeten betalen (of terugkrijgen). Het E-biljet is voor eenvoudige aangiften en bevat dan ook het minste aantal vragen. Wie in loondienst werkt en een eigen huis heeft, kan in principe hiermee volstaan. Maar dikwijls is dit niet het geval. Het P-biljet is bijvoorbeeld nodig voor wie in 1996 een studietoelage of periodieke uitkering ontving, alimentatie kreeg of moest betalen, aftrekbare premies voor lijfrente of particuliere verzekeringen voldeed, inkomsten had uit dividend, obligaties, de verhuur van een huis of een ander onroerend goed. Ook wie giften wil aftrekken van zijn belastbare inkomen heeft een P-biljet nodig.

Biljet B en VB Particulieren die behalve inkomstenbelasting ook vermogensbelasting moeten betalen, dienen aangifte doen via een B-biljet. Wie alleen vermogensbelasting hoeft te betalen heeft een VB-biljet nodig.

Biljet T en Tj De particulier die denkt dat hij recht heeft op teruggave van al betaalde belasting maar geen aangiftebiljet heeft gekregen, doet er verstandig aan een T-biljet bij het belastingkantoor af te halen. Is hij jonger dan 28 jaar, dan kan dit het kortere Tj-biljet zijn. De teruggave moet minimaal 26 gulden bedragen, wil de Belastingdienst een bedrag overmaken.

Overige biljetten De aangiftebiljetten O en U zijn voor ondernemers bedoeld en C en D voor Nederlanders die in het buitenland wonen en nog in hun vaderland belastingplichtig zijn. Het F-biljet is voor Nederlanders die dit jaar emigreren of voor de nabestaande van iemand die dit jaar overlijdt.

Het VA-biljet is voor degenen die tot 1 juli uitstel willen krijgen van de plicht tot invulling van een E-, P-, B-, O- of U-biljet. Zij moeten op het VA-biljet schattingen van hun inkomen en/of vermogen maken. Het Q-biljet is niet op te vragen, maar wordt gebruikt door computerliefhebbers: zij fabriceren zelf hun belastingbiljet met behulp van bepaalde software.

DISKETTE Belastingbetalers met een personal computer hoeven hun biljet niet in te vullen, maar kunnen van de Belastingdienst een schijfje krijgen, zodat ze hun aangifte digitaal kunnen afhandelen. Zo'n diskette voert allerlei berekeningen uit die de belastingbetaler anders zelf zou moeten maken. Ook rekent de diskette uit of en hoeveel inkomstenbelasting de belastingbetaler terugkrijgt dan wel moet betalen. De toelichting van de Belastingdienst op de vragen is eveneens via het schijfje te lezen. De diskette is alleen als alternatief voor de biljetten E, P en T beschikbaar.

Wie een E- of P-biljet moet invullen, krijgt van de Belastingdienst een apart formulier toegestuurd waarmee hij desgewenst een diskette kan aanvragen. Een 'T-diskette' is te verkrijgen via de bestellijn van de Belastingdienst, 08 00 00 43. Binnenhalen via Internet kan ook. Wie vorig jaar al van zo'n schijfje gebruikmaakte, zal het dit jaar automatisch ontvangen in plaats van een papieren biljet. Wie de computer bij nader inzien toch niet zo'n prettig hulpmiddel vindt, kan altijd terugvallen op het papieren biljet, dat zonodig bij de Belastingdienst kan worden opgevraagd. De diskettes moeten worden voorzien van een cijfercode. Deze code vormt samen met het sofi-nummer een 'elektronische handtekening' die in principe ook voor volgende jaren geldig is. Wie deze vijfdelige cijferreeks vorig jaar al hanteerde maar nu vergeten is, zal bij de Belastingdienst tevergeefs naar een geheugensteuntje zoeken. De cijfercode is net zo geheim als een pincode. Alleen een nieuwe aanvraag om elektronisch aangifte te doen kan soelaas bieden. Overigens mogen dit jaar voor het eerst ook de diskettes die Elsevier en Kluwer uitgeven rechtstreeks naar de Belastingdienst worden gestuurd. Een andere mogelijkheid is de aangifte via een modem te zenden.

TARIEFGROEPEN Indeling in de vijf tariefgroepen is van belang voor de vaststelling van de zogenoemde belastingvrije som, het vaste bedrag waarover iemand geen belasting hoeft te betalen. De meest voorkomende zijn de tariefgroepen 2 en 3 en het onderscheid hiertussen is vooral van belang voor huishoudens waarin respectievelijk één of twee partners werken. In het gezin waar bijvoorbeeld alleen de man werkt, geldt tariefgroep 3 en een belastingvrije som van 14.006 gulden. Hebben beide partners een baan die hun ieder meer dan 7.003 gulden oplevert, dan vallen zij, net als alleenstaanden, onder tariefgroep 2, en hebben ze ieder een belastingvrije som van 7.003 gulden. Gecompliceerder wordt het wanneer, in het voorbeeld van het gezin waarin alleen de man werkt, de vrouw een klein baantje neemt. Zolang zij per jaar niet meer verdient dan 7.003 gulden verandert er niet veel. De man houdt als belastingvrije som 14.006 gulden; de vrouw komt in tariefgroep 1, waarvoor geen belastingvrije som geldt. Zij betaalt dus inkomstenbelasting over het loon dat zij verdient. Verdient de vrouw meer dan 7.003 per jaar, dan verhuizen beide partners naar tariefgroep 2, met beiden een belastingvrije som van 7.003 gulden. Op deze grens ligt voor de partners een afweging. Stel dat de man onder het belastingtarief van 50 procent valt. Dan kost hem dat dus ruim 3.500 gulden aan belasting als zijn vrouw meer gaat verdienen dan 7.003 gulden. Daar staan de inkomsten van de vrouw tegenover. Als haar bruto-inkomen 8.000 gulden bedraagt, is zij (na aftrek van de beroepskosten en belastingvrije som) 133 gulden aan belasting kwijt. Zij houdt netto 7.867 gulden over. Man en vrouw samen gaan er in deze situatie netto 4.367 gulden op vooruit. Het is dus een misverstand dat een klein baantje voor de minst verdienende partner eerder geld zou kosten dan opleveren. Maar wel is de belasting relatief hoog die voor zo'n laag, tweede inkomen moet worden betaald. Daarom duikt in de politiek regelmatig de stelling op dat het fiscale systeem zou moeten worden geïndividualiseerd, omdat het nu bijvoorbeeld vrouwen die (weer) aan het werk willen gaan te weinig stimuleert. Politieke pogingen het belastingstelsel op dit punt te veranderen, zijn tot nu toe zonder resultaat gebleven.

REISKOSTEN Het reiskostenforfait is een bedrag dat geldt als aftrekpost voor werknemers. Dit is niet het geval als de werkgever de reiskosten volledig vergoedt of voor vervoer zorgt. In situaties waarin de werkgever de reiskosten niet of slechts gedeeltelijk voor zijn rekening neemt, is het reiskostenforfait dus van belang. De hoogte ervan wordt niet bepaald door de werkelijk gemaakte reiskosten, maar hangt af van de reisafstand (meerdan tien kilometer), van het aantal dagen per week waarop de werknemer werkt (ten minste één) en van de vraag of hij per auto of met het openbaar vervoer reist. In tabellen die de Belastingdienst in zijn toelichting geeft, is het juiste forfait meestal gemakkelijk te vinden. De bedragen variëren in het algemeen van 215 tot 2.050 gulden per jaar. In enkele situaties ligt het iets gecompliceerder. Dat is wanneer iemand grotere woon-werkafstanden dan dertig kilometer aflegt en dat per openbaar vervoer doet. Dan kan het forfait oplopen tot 4.530 gulden, wanneer iemand bijvoorbeeld tachtig of meer kilometer van huis naar werk aflegt. Deze belastingbetaler moet voor deze extra aftrek wel beschikken over een openbaar-vervoerverklaring over 1996, die bijvoorbeeld bij de NS verkrijgbaar is. Zo'n verklaring is alleen te krijgen als de werknemer met een jaarkaart heeft gereisd. Voor automobilisten in het woon-werkverkeer geldt deze mogelijkheid voor een hoger reiskostenforfait dus niet; voor hen bedraagt het maximum 2.050 gulden. Automobilisten moeten, wanneer zij een personenauto van hun werkgever ter beschikking hebben, ook nog op iets anders letten. Zo dienen zij 20 procent van de cataloguswaarde op te tellen bij hun belastbare inkomen - en daarover dus belasting te betalen - als zij niet meer dan dertig kilometer van hun werk wonen. Wonen zij verder, dan bedraagt deze bijtelling 24 procent. De automobilist met een auto van de zaak die (een deel van) de benzine voor het woon-werkverkeer zelf moet betalen, kan deze kosten eventueel bij het onderdeel beroepskosten opvoeren, als onderdeel van deze aftrekmogelijkheid.

BEROEPSKOSTEN Elke werknemer mag 8 procent van zijn inkomsten uit tegenwoordige arbeid als beroepskosten aftrekken met een maximum van 2.507 gulden per jaar. Over dit bedrag is hij dus geen belasting verschuldigd. Meer aftrekken dan 2.507 gulden kan ook, maar dan moet de belastingbetaler aantonen dat hij ook daadwerkelijk tot aan dit bedrag beroepskosten heeft gemaakt en de rest aannemelijk maken . Percentage en maximum zijn de laatste jaren flink verhoogd. Dat was om de belasting te vereenvoudigen, maar ook wel om inkomenspolitieke redenen. Met name het vorige kabinet zag in verhoging van de beroepskosten - in de politieke discussie aangeduid als arbeidskostenforfait - een middel om het verschil tussen nettolonen en netto-uitkeringen te vergroten. Hierdoor ziet menig belastingbetaler tegenwoordig af van de moeite om de werkelijke hoogte van zijn beroepskosten te berekenen. Dat vergt veel administratief gedoe, zoals het bewaren van bonnetjes, kwitanties en bank- of giro-afschriften. Bovendien is, in het kader van de belastingvereenvoudiging, de mogelijkheid allerlei posten af te trekken tegenwoordig beperkt. Een bekend voorbeeld hiervan is de studeer- of werkkamer, waarvan de kosten alleen nog maar aftrekbaar zijn als de werknemer er meer dan de helft van zijn arbeidstijd doorbrengt. Het valt dus niet mee bij de beroepskosten tot een hoger bedrag dan 8 procent of 2.507 gulden uit te komen. Toch is er een reeks van onkosten die, al dan niet beperkt, als aftrekbaar kunnen worden opgevoerd. Zoals: proceskosten, schrijfbehoeften, vakliteratuur, congressen, lidmaatschap van een vakbond, gereedschap, zakelijke overnachtingen in een hotel, werkkleding, zakelijke telefoonkosten en verhuizing. Voor alle beroepskosten geldt de aftrekbaarheid alleen voorzover ze niet door de werkgever geheel of gedeeltelijk en onbelast zijn vergoed. Een ander voorbeeld van beroepskosten is de personal computer die de werknemer thuis voor zijn werk nodig heeft, of andere elektronische apparatuur. Maar ook hiervan is de mogelijkheid tot afschrijving beperkt. Van de aanschafprijs moet om te beginnen een niet-aftrekbare restwaarde van 10 procent worden afgehaald. Vervolgens moet het restant door drie worden gedeeld, wegens afschrijving in drie jaar. Van dat derde deel moet daarna nog een 'drempelbedrag' van 800 gulden per jaar worden afgehaald. Een rekensom leert dat wie apparatuur heeft met een aankoopwaarde van niet meer dan 2.666 gulden, hiervan niets bij de belasting kan aftrekken. Andere mogelijke aftrekposten zijn het zakelijk gebruik van de eigen auto (60 cent per kilometer voorzover het geen woon-werkverkeer betreft), de brandstofkosten van een auto die door de werkgever is verschaft of zakelijke openbaar vervoer- en taxikosten. De fiscus heeft de fiets niet vergeten: de zakelijke fietser mag 12 cent per kilometer aftrekken. Gevoel voor detail kan de Belastingdienst niet worden ontzegd, zij het dat hieraan soms een arrest van de Hoge Raad voorafging. Zo mag de werknemer die op het werk voor eigen kosten koffie of thee drinkt hiervoor 1,30 gulden per dag als beroepskosten opvoeren, met een maximum van 6,50 gulden per week en 286 gulden per jaar. Studiekosten vergen nog een speciale toelichting. Zij worden als aftrekbare beroepskosten beschouwd als het gaat om een studie die de werknemer volgt om in zijn beroep bij te blijven. Overigens geldt ook dan: alleen als de totale beroepskosten boven de eerder genoemde 8 procent of 2.507 gulden uitkomen. Studiekosten die worden gemaakt ter verbetering van de maatschappelijke positie, bijvoorbeeld om een ander beroep te krijgen, zijn niet als beroepskosten aftrekbaar. Wel als buitengewone last, maar daarbij gelden weer andere beperkingen (zie ook bij: buitengewone lasten).

BUITENGEWONE LASTEN Kinderopvang, ziektekosten en studiekosten behoren tot de aftrekmogelijkheden in de categorie 'buitengewone lasten'. Aftrekbaar zijn deze onkosten niet zonder meer. Alleen als ze een bepaalde 'drempel' overschrijden, kan de belastingbetaler ze aftrekken. Deze drempel kan hoog liggen. Daarvoor is het begrip 'onzuiver inkomen' van belang. Dat is het inkomen dat bestaat uit de inkomsten uit arbeid, rente, huurwaarde eigen woning, opbrengsten van verhuur, dividend, enzovoorts, met daarvan afgetrokken de kosten voor de eigen woning, zoals de hypotheekrente.Kinderopvang Wie een onzuiver inkomen heeft van 40.000 gulden, kan de eerste 3.237 gulden van de kosten van kinderopvang niet aftrekken, wanneer het om opvang gaat van meer dan vijf uur per dag van één kind. Bij een onzuiver inkomen van 60.000 gulden ligt de drempel op 6.738 gulden, bij 100.000 gulden op 11.916 gulden en boven de 102.000 gulden op 12.564 gulden. Voor volgende kinderen en bij opvang van maximaal vijf uur per dag liggen de drempels op een ander niveau; ze zijn terug te vinden in de toelichting bij het belastingformulier. In alle gevallen geldt dat de maximale aftrek 10.476 gulden per kind bedraagt. De aftrek is alleen mogelijk voor kinderen van 0 tot 12 jaar die bij een erkende organisatie van kinderopvang zijn ondergebracht. Bovendien moet een alleenstaande ouder een baan hebben waarmee zij of hij ten minste 7.003 gulden verdient; in geval van een echtpaar moeten beide partners werken en ieder minimaal dit bedrag verdienen. Onbelaste vergoedingen van de werkgever voor kinderopvang moeten in mindering worden gebracht op het bedrag dat bij de belasting wordt afgetrokken.

Studiekosten Studiekosten kunnen in bepaalde gevallen als buitengewone lasten worden opgevoerd. Het mag dan niet gaan om een studie of een cursus die in verband met het huidige werk wordt gevolgd (dan zijn het beroepskosten). Studiekosten die worden gemaakt om bijvoorbeeld een nieuw vak te leren, kunnen soms wel als buitengewone last worden opgevoerd. Daarbij zijn studiekosten die al via studiefinanciering worden vergoed niet aftrekbaar. En er is een drempel: 2 procent van het onzuivere inkomen met een maximum van 800 gulden. Alleen voorzover studiekosten boven dit bedrag uitkomen, zijn ze dus aftrekbaar. Tot de aftrekbare kosten worden gerekend: les- en cursusgelden, studieboeken en -materiaal, scriptiekosten, examengeld, promotiekosten, reiskosten, studiereizen en de afschrijving van apparatuur.

Ziektekosten De kosten ten gevolge van ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie en overlijden kunnen als buitengewone last aftrekbaar zijn, mits ze een bepaalde drempel overschrijden. Die drempel ligt bij een onzuiver inkomen van maximaal 23.467 gulden op 2.863 gulden; bij een onzuiver inkomen van 23.468 tot en met 97.721 gulden op 12,2 procent van het onzuivere inkomen; bij een hoger onzuiver inkomen op 11.922 gulden. Voorzover de kosten al via een ziektekostenverzekering, het ziekenfonds of de AWBZ zijn of worden vergoed, komen ze niet voor aftrek in aanmerking. Het zal dus niet snel gebeuren dat ziektekosten als buitengewone last kunnen worden opgevoerd, maar bijvoorbeeld bij geboorte of overlijden kan het wel voorkomen. De lijst van posten die in theorie als aftrek gelden is groot. Zoals: huisarts, tandarts, specialist, ziekenhuis, brillen, contactlenzen, rolstoelen, krukken, ziektekostenpremies, ambulancevervoer, reiskosten in verband met ziekenbezoek, voorgeschreven medicijnen, verbandmiddelen, een deel van de kosten in een verzorgingshuis, verpleeghuis of internaat, bevalling, kraamhulp, de kraamkliniek, dieet op doktersvoorschrift en (voor de erfgenamen) begrafenis- en crematiekosten.

Niet bekend