Regelgeving voorkomt uitglijders niet

AMSTERDAM, 27 FEBR. Opnieuw sneuvelt een topbestuurder van een grote Nederlandse bank op een financiële affaire.

Dit keer zijn het geen beschuldigingen tegen topmanagers van de voormalige NMB, de 'middenstandsbankiers' die zich omhoog moesten vechten in de wereld van de haute finance en het niet zo nauw namen met de (toen nog) grotendeels ongeschreven normen in het financiële bestel. Nu is het de ABN Amro, de bank die als geen ander het financiële establishment belichaamt, die het onmiddellijk terugtreden van bestuurslid mr. L. de Bièvre moet erkennen wegens effectenhandel met voorkennis van zijn vrouw.

Bij de affaire die in 1992 uitbarstte bij vier ex-NMB-managers, van wie drs. A. Soetekouw en drs. I. Van der Boor inmiddels in de top van ING zaten, ging het om talloze transacties in aandelen van bedrijven waar de bank ook een financieringsrelatie mee zou (kunnen) hebben. Voorkennis of verstrengeling van belangen werd niet bewezen. Na een minutieus onderzoek concludeerde de beurs dat de betrokkenen beter hadden moeten weten.

Ook ex-NMB-bestuurder mr. G. Tammes bleek privé-investeringen te hebben gedaan die vragen opriepen, maar hij had deze zaken eerder al gemeld en ondervond verder geen last van zijn commissarissen of van De Nederlandsche Bank. Dat gold niet voor bestuursvoorzitter W. Scherpenhuijsen Rom, die net drie maanden ING-topman was, toen de Volkskrant in september 1992 berichtte over een investering uit het eind van de jaren zeventig waarin privé-belangen en bankbelangen dwars door elkaar liepen. Scherpenhuijsen Rom trad af, maar heeft inmiddels een succesvolle comeback gemaakt als voorzitter van het CTSV, dat de uitkeringen in de sociale zekerheid controleert.

Stuk voor stuk konden zij zich ter eigen verdediging beroepen op het feit dat de normen op het moment dat zij werden “gesnapt” een stuk strikter waren geworden dan op het moment dat zij hun effectentransacties of investeringen hadden gedaan. Dat zij, met andere woorden, in een grijs gebied hadden gezeten. Lieten de firmanten van Pierson, Heldring & Pierson vroeger ook niet weten, zo was het verhaal in de financiële wereld, dat je bij hen effectenzaken moest doen omdat zij altijd zulke goede informatiebronnen hadden?

Het is navrant dat De Bièvre, die allerwegen wordt gerespecteerd door concurrenten en collega's, nu uitgerekend moet opstappen om een effectenaffaire met voorkennis van zijn vrouw uit 1992. Dat de normen en regels veranderd waren was toen al compleet helder. Een jaar eerder was de 'moeder aller voorkenniszaken' in de publiciteit gekomen, toen drie grootaandeelhouders in het automatiseringsbedrijf HCS, onder leiding van toenmalig Begemann-topman J. van den Nieuwenhuyzen, de koers van HCS succesvol wisten te manipuleren.

Tegen de achtergrond van deze affaires, waar de verdachten in de publiciteit kwamen, en de laatste rechtszaak om handel met voorkennis in aandelen Weweler, waar het om een winst van enkele tienduizenden guldens ging, komt het beleid van justitie op het eerste gezicht lichtvaardig over. Wel een schikking met bijna een miljoen gulden boete, maar geen rechtszaak in de verwachting dat De Bièvre na het intern melden van de zaak zou moeten aftreden. “Moeilijk te verteren voor al degenen die wel en plein public zijn geraakt”, vindt een advocaat. De keerzijde van de medaille is dat de verdachte in de zaak De Bièvre blijkbaar wel heeft bekend, en die in de Weweler-zaak niet.

De HCS- en ING-affaires schokten het financiële en zakelijke establishment. Er was geen bank die haar eigen interne procedures niet tegen het licht hield om te zien of het haar ook kon overkomen. ING vroeg de honderd hoogste managers expliciet of zij nog 'lijken in de kast' hadden liggen. De interne exercities werden begin 1994 gevolgd door uitgebreide voorschriften van de effectenbeurs, het gezamenlijke bankwezen en De Nederlandsche Bank, waarin voor het eerst ook regels voor effectentransacties van huisgenoten werden opgesteld. Doel: de integriteit van beurs en bankwezen handhaven en het vertrouwen daarin van de klanten.

Bij de ABN, het voorland van De Bièvre, leek juist op dit punt alles uitstekend geregeld. Een sterk esprit de corps, een patriciërsachtergrond, een bank waarvan een van de rechtsvoorgangers nog was opgericht door Koning Willem I, een bank met ongeschreven fatsoensnormen. De bank waar toenmalig bestuursvoorzitter mr. R. Hazelhoff zijn effectenportefeuille in de vrije hand liet beheren bij een van de kleine gespecialiseerde dochters van de bank. Op zo'n manier dat hij zelf geen handelingen verrichtte of daartoe aanwijzingen gaf.

Toen de regels voor privé beleggingen in de bedrijfstak in 1994 werden geformaliseerd, moest dat voor de ABN Amro-medewerkers geen verrassing zijn. Het waren normen “die wij altijd al handhaafden”, zo staat in het voorwoord van de interne brochure over privé beleggingen. “Voor zogenaamde insiders, mensen die uit hoofde van hun functie bij de bank regelmatig over koersgevoelige informatie beschikken, gelden extra strenge regels.” Gisteren is gebleken dat mensen zich ook op het hoogste niveau bij de grootste Nederlandse bank kunnen vergalopperen. Alle regelgeving ten spijt.