Ons hart klopt voor de natuur

Het gaat allemaal snel, als je het op een rijtje zet. Wens en praktijk gaan rakelings langs elkaar heen en missen elkaar volledig. Neem om te beginnen de berggorilla's in de mist, van het grensgebied tussen Rwanda en Zaïre. De halve Westerse wereld kocht een boek over ze of ging de fraaie film zien.

Toen kwam er het vluchtelingenprobleem. Dat daardoor het leefgebied van die dieren werd uitgewoond haalde de pers nauwelijks. Dat het kwam door makkelijk te vermijden willekeur bij hulporganisaties ook niet. De toekomst van de supersterren van de natuur was in een klap taboe.

Toen maakte Koos van Zomeren een mooie avondvullende documentaire over het moderne bestaan van de Hollandse koe. Terughoudend zoals dat hoort, waardoor de kijkers na afloop de tv uitknipten met de gedachte: het zou anders moeten. Even later volgde de massaslacht van gezonde kalveren in een gekgeworden industrie. Een beetje voor de vorm, om de naam van Neerlands vlees in het buitenland hoog te houden.

Toen kwam de filmhit Babe, door alle leeftijden warm ontvangen. Die ontroerde door fraaie fictie en het verschijnsel varken, dat aandoenlijk gevoelig en intelligent is. Tjonge, wat werd er met dat ene diertje en zijn stand-ins meegeleefd. Over de elektrocutie van het Nederlandse varkensbestand maakt men nu voornamelijk economische gevolgtrekkingen. “Dood gaan ze toch.” Soms met de variant: “Het is niet erg - hun gewone bestaan in de bio-industrie is al niet veel.” Schouderophalend cynisme dat wat duizelig maakt als je het op het lot van mensen toepast. Erg is niet erg als het al erg was - min maal min maakt een onverschillig plusje.

Dat op en neer golvende massamediale medeleven van ons - wat kopen dieren daar nu voor? Deze weken gaan we ons weer laten ontroeren door Dalmatiërs. Benieuwd wat daarmee gebeurt.