Kroes opent de tegenaanval in TCR-affaire

DEN HAAG, 27 FEBR. Als vanouds bijt oud-minister Neelie Kroes fel van zich af. Woedend is de presidente van Nijenrode over de suggestie dat zij de criminele gebroeders Langeberg van Tankercleaning Rotterdam (TCR) jarenlang de hand boven het hoofd heeft gehouden. Kroes wil een rechtszaak beginnen tegen de inmiddels gepensioneerde advocaat-generaal mr. H. Feber, die heeft gesuggereerd dat zij in 1984 aan de Langebergs zou hebben 'gelekt' dat er een justitieel onderzoek tegen hen liep.

“Dit is een aantijging onder elk niveau, zeker voor een advocaat-generaal.”

Een zichtbaar vermoeide Kroes staat na afloop van een urenlang besloten verhoor de pers te woord. De vaste Kamercommissies voor Verkeer en Waterstaat en VROM proberen in besloten gesprekken met betrokkenen in de TCR-affaire antwoorden te vinden op een groot aantal vragen. Zoals: Hoe kon het gebeuren dat Kroes als minister in de jaren tachtig meer dan 22 miljoen gulden subsidie verstrekte aan TCR, ondanks de waarschuwing van Justitie dat er een onderzoek liep naar mogelijke milieudelicten van de Langebergs.

TCR veroorzaakte onder het bewind van de broers Langeberg het grootste milieuschandaal uit de Nederlandse geschiedenis door ondermeer grootschalige en moedwillige lozing van giftig afval in de Rotterdamse haven en subsidiefraude. De hoofdpersonen in de TCR-affaire, de drie eigenaren, de directeur en twee stafleden, werden in 1995 veroordeeld tot gevangenisstraffen.

Daags na een gesprek dat advocaat-generaal Feber in 1984 had op het ministerie van Verkeer en Waterstaat bleek dat de Langebergs op de hoogte waren van het feit dat er tegen hen een onderzoek liep en dat hun telefoons werden afgeluisterd. Het justitiële onderzoek was daardoor 'kapot'. In een rapport uit 1989 stelde Feber dat er vermoedelijk vanuit de top van het ministerie naar de broers Langeberg was gelekt. Ook uitte hij het vermoeden dat Kroes directe banden met de broers Langeberg zou hebben.

Kroes zegt dat Feber die opmerking in zijn verhoor vorige week heeft moeten terugnemen. “Het is absoluut gelogen dat ik een relatie met de Langebergs had.” Kroes speelt de bal terug en vraagt zich af waarom de politie het 'lek' naar de Langebergs niet bij zichzelf heeft gezocht.

“Zelfs een advocaat-generaal kan niet integer zijn, dat is wel gebleken in de IRT-affaire.”

Kroes moest begin jaren tachtig snel een besluit nemen, ten einde te voldoen aan het zogeheten Marpol-verdrag tegen vervuiling van de zee door scheepsafval. Er moest daartoe een moderne afvalverwerkingsinstallatie in de haven van Rotterdam komen. Kroes wilde niet in zee met afvalbehandelaar Booy Clean omdat er volgens haar bij dit bedrijf sprake was van “niet mis te verstane delicten”. Uiteindelijk koos Kroes voor de gebroeders Langeberg. Belangrijk voor de beslissing om met de Langebergs in zee te gaan was onder meer dat zij werden vergezeld door “respectabele” adviseurs zoals CDA-senator en advocaat mr. P. Russell.

Maar waarom sloeg zij vervolgens de waarschuwing van Feber in de wind dat het mis was? “Er deden verhalen de ronde over de gebroeders Langeberg. Daar was niet veel mee te doen. Een advocaat-generaal moet niet waarschuwen, maar vervolgen.”

In de periode voor 1984 waren door het openbaar ministerie maar kleine milieudelicten ten laste gelegd aan TCR, die werden geschikt. Kroes laat een brief zien die Feber op 9 november 1987 naar onder meer Verkeer en Waterstaat had gestuurd. In die brief zwakt Feber zijn eerdere verdenkingen over het misbruik van subsisidiegeld aanzienlijk af en deelt hij mee dat Justitie af zal zien van vervolging. Kroes roept de beide Kamercommissies daarom op niet langer te talmen en een parlementaire enquête te beginnen.