Kinderarbeid is 'werken of sterven'

AMSTERDAM, 27 FEBR.Een groep werkende kinderen uit de Derde wereld heeft zich gisteren op de internatione conferentie over kinderarbeid in Amsterdam uitgesproken tegen een algemeen internationaal verbod op kinderarbeid. De kinderen waren op de conferentie, die gisteren en vandaag is gehouden, uitgenodigd om hun standpunt kenbaar te maken.

Van de acht uitgenodigde kinderen waren er zeven tegen het uitvaardigen van een boycot op produkten die gemaakt zijn met behulp van kinderarbeid. Ze onderstreepten dat werk nodig is om in leven te blijven en een schoolopleiding te kunnen betalen.

De 17-jarige Sawai Langlah uit Thailand, die zelf op jonge leeftijd was begonnen te werken, zei alleen voorstander te zijn van een verbod op gevaarlijk werk of kinderprostitutie. De 15-jarige Brazilaanse Lidja Pereira da Silva nam als enige van de groep een enigszins afwijkend standpunt in. Ze sprak zich uit voor een algemeen verbod op kinderarbeid voor kinderen beneden de twaalf jaar. Zo'n verbod zou volgens haar wel degelijk ten goede kunnen komen aan de kinderen die nu werken.

Minister Jan Pronk van Ontwikkelingssamenwerking leek op dezelfde lijn te zitten als de groep werkende jongeren toen hij op de conferentie aangaf dat “kinderen vaak willen werken, maar onder bepaalde voorwaarden.”

Volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), die met de Nederlandse regering de conferentie had georganiseerd, moeten er over de hele wereld naar schatting 250 miljoen kinderen tussen de 5 en 14 jaar werken om te kunnen overleven. Eenderde van hen doet dat onder gevaarlijke omstandigheden, in slavernij of in de prostitutie. De conferentie concentreerde zich vooral op deze schrijnende vormen van kinderarbeid.

Er bestaan al internationale verdragen die kinderarbeid verbieden. Zo is er een ILO-conventie uit 1973 die tot doel heeft alle kinderarbeid uit te bannen. Slechts 52 landen hebben deze conventie echter geratificeerd en van de Aziatische landen, waar de meeste kinderarbeid voorkomt, behoort alleen Nepal daartoe. De goedkeuring van een verdrag is bovendien niet voldoende, zo blijkt dikwijls. De kinderarbeid In Nepal werd net zo min uitgebannen als in landen waar de ILO-conventie niet van toepassing is.

De oorzaak van het probleem, zo werd tijdens de conferentie erkend, ligt in het voortbestaan van armoede. De Senegalese minister van Arbeid, Diop, gaf het kernachtig weer toen hij erop wees dat kinderarbeid in zijn land vaak een kwestie is van “werken of sterven”.

Het doel van de conferentie was een bijdrage te leveren aan een nieuwe ILO-conventie die in 1999 zou moeten worden aangenomen door zo veel mogelijk landen in de Derde wereld. Het zou daarbij moeten gaan om een verbod op alleen de meest ernstige vormen van kinderarbeid. De directeur-generaal van de ILO, Michel Hansenne, hoopt dat een dergelijke conventie met een minimale regeling op een bredere ontvangst in de Derde wereld kan rekenen.

Tijdens de conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) afgelopen december in Singapore werd duidelijk dat de internationale wil om kinderarbeid uit te bannen met behulp van handelssancties nauwelijks bestaat. Onder aanvoering van vooral Aziatische landen werd toen bepaald dat niet de WTO, maar de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) de aangewezen instelling is om een minimum pakket aan arbeidsvoorwaarden vast te leggen. Michel Hansenne werd in Singapore zelfs geweerd van het spreekgestoelte. Het dreigen met boycotmaatregelen als een land geen einde maakt aan kinderarbeid is buiten de WTO om vrijwel onmogelijk en kwam tijdens de conferentie in Amsterdam dan ook niet aan de orde.

Minister Ad Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegheid zei tijdens de conferentie er voorstander van te zijn om in de nieuwe ILO-conventie een bepaling op te nemen die een internationaal controlesysteem op nauw omschreven ernstige vormen van kinderarbeid mogelijk maakt. Een zegsman van de ILO steunde dit idee en zei dat op die manier de aandacht gevestigd kan worden op concrete misstanden, die vervolgens onder druk van de publieke opinie in vooral het Westen zouden kunnen worden aangepakt.