Joods Maatschappelijk Werk helpt vijftig jaar bij de verwerking van oorlogstijd; 'Daar begrijpen ze je binnen vijf minuten'

De Stichting Joods Maatschappelijk Werk viert vandaag haar vijftigjarig bestaan. Zij speelde een belangrijke rol bij het doen wederopleven van de geslagen naoorlogse joodse gemeenschap. “Je hoeft weinig uit leggen.”

AMSTERDAM, 27 FEBR. Op een doordeweekse dag in het najaar van 1945 liep de toen 22-jarige Floor Melkman door de Kalverstraat in Amsterdam. Een toevallige passant meende haar te herkennen. Hij liep naar haar toe en vroeg schuchter: “Ben jíj het Floor?” Ze knikte. De passant bleek een familielid te zijn dat samen met zijn moeder en de andere zes kinderen van het gezin de oorlog op een onderduikadres had overleefd. “Ik had niet gedacht dat ik iemand van de familie zou terugzien. Daar had ik me op ingesteld”, zegt ze 52 jaar later in haar woning in Amsterdam Buitenveldert.

Koe-Melkman werd op 9 mei 1945 ergens in Tsjechoslowakije door de Russen bevrijd. Zeven kampen had ze overleefd. Totaal berooid en verzwakt arriveerde ze later die maand in Sittard vanwaar ze later doorreisde naar Amsterdam. “Niemand vroeg me iets. Niemand stak een hand uit. Ik trouwde eind 1946. Mijn man, Herman Koe, en ik spaarden elkaar door te zwijgen over wat we hadden meegemaakt. We wilden zo gewoon mogelijk verder leven.”

Haar echtgenoot overleed in 1970 - toen kwamen de huilbuien en barstte het verdriet over het doorstane leed tijdens de oorlog in alle hevigheid los. Ze klopte aan bij de joodse geestelijke gezondheidszorg en kort daarop kwam ze in contact met Joods Maatschappelijk Werk. “Ik wist dat die instelling bestond, je hoorde er wel over maar omdat we zo gewoon mogelijk wilden doen, had ik me nooit voor hulp tot JMW gericht.”

Vandaag is het vijftig jaar geleden dat de stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) werd opgericht. Het doel was “de coördinatie, bevordering en uitoefening van de gehele sociale zorg voor de joden in Nederland”, schrijft prof. dr. I. Lipschits in zijn vandaag gepresenteerde studie over de geschiedenis van het JMW.

Aan de oprichting van het JMW ging veel discussie vooraf - niet over de noodzaak van de zorginstelling maar over de vraag hoe die er organisatorisch uit zou moeten zien. Het was, tot verbazing van Lipschits, een disucssie tussen vernieuwers en herstellers zoals die buiten de joodse gemeenschap na de bevrijding met verve werd gevoerd. “Kon men binnen het niet-joodse kader nog een zinnige discussie voeren over de vraag of de Tweede Wereldoorlog een onderbreking dan wel een breuk was, binnen de joodse gemeenschap had het voor iedereen duidelijk kunnen zijn dat de shoah een totale breuk in de ontwikkeling vormde. Herstel van de vooroorlogse situatie was niet mogelijk, hooguit aanpassing aan een geheel nieuwe situatie”, aldus Lipschits. Dit laatste betekende dat het Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap, voor de oorlog hèt aanspreekpunt voor joods Nederland, deze positie zou moeten opgeven ten gunste van een “overkoepelende organisatie, waarin naast de kerkgenootschappen plaats was voor alle andere joodse groeperen”, schrijft hij. Dat gebeurde, al sloten pas in de jaren zestig steeds meer instellingen zich bij het JMW aan.

Behalve op het materiële vlak ontplooide het JMW ook activiteiten op immaterieel gebied waarbij vooral invoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (WUV) in 1973 op het conto van JMW geschreven moet worden. Koe-Melkman: “Mijn echtgenoot had in financieel opzicht goed voor mij en het gezin gezorgd, dus ik hoefde niet zo nodig van die wet gebruik te maken. Maar een maatschappelijk werkster van JMW wees me er wel op dat ik recht had op financiële tegmoetkoming als ik bijvoorbeeld een werkster wilde”, zegt ze.

JMW kon Koe-Melkman meer bieden, bleek jaren later. “Nergens bestaan gespreksgroepen voor mensen van onze generatie, JMW is daarmee begonnen. Ik sterf af en toe van woede waar ik geen kant mee uit kan. In onze gespreksgroep kan dat wel, daar zitten mensen in die je binnen vijf minuten begrijpen.” De angst toen op 14 januari 1943 de Duitsers haar en haar ouders kwamen ophalen uit hun huis in de Amsterdamse Transvaalbuurt. Het gevoel van verweesdheid in de Hollandsche Schouwburg. De verlatenheid tijdens het transport. “Ik dacht dat we naar Westerbork gingen, daar hadden we over gehoord. Maar plotseling riep iemand in de wagon: 'we gaan naar Brabant, ik zie de toren van Zaltbommel.' ” Bij aankomst in Vught werd ze bij het zogeheten Philipscommando tewerkgesteld. Begin juni 1944 volgde de deportatie van vijfhonderd joodse werkkrachten van Philips naar Birkenau. “Daar ben ik zes weken gebleven. Je zag alleen maar skeletten. Dit is de hel, dacht ik. De regelrechte hel. Als ze me hier houden word ik knettergek.”

Als 'Philips-vrouw' werd ze samen met enige honderden naar Reichenbach vervoerd en in een fabriek van Telefunken tewerkgesteld. Er volgden nog vier kampen. “Ze schoven ons als damstenen heen en weer.” Haar moeder was inmiddels vermoord, haar vader overleed in januari 1945 tijdens een van de beruchte dodenmarsen.

Op 9 mei 1945 zag ze in de verte iets roods. De Russische vlag wapperde op tanks die steeds dichterbij kwamen. Buiten hoorden de gevangenen iemand schreeuwen: Juden, sie sind frei. Kort daarna verschenen Russische soldaten. Onder de luis, vervuild en nauwelijks gekleed gingen de gevangenen hun vrijheid tegemoet. Behalve aan de gespreksgroep neemt Koe-Melkman sinds enige tijd ook deel aan een schrijfgroep van JMW. “Als ik iets voorlees, begrijpen de anderen meteen waar ik het over heb.” Ze laat een gedicht zien (“Ik kan niet dichten, ik kan rijmen”) dat ze onlangs geschreven heeft. Over het vallen van de bladeren in de herfst, over kale bomen - maar bladeren komen terug.

't Is niet fair - waren wij bomen dan waren mijn geliefden teruggekomen. Nee stop, dit denken heeft geen nut Wat heeft het zin zoiets te wensen Wij zijn maar machteloze mensen.