Gerrit Komrij

Jacob Cats (1577-1660)

Qui a une chouette prend des autres oiseaux

Ach! wat heb ic met verlangen

Menighmael hierop gelet

Hoe ic vogels mochte vangen

Met dit eygen vincke-net

Maer al wat ic heb begonnen

Wat ic immer heb gestaen

Noyt en heb ic yet gewonnen

Noyt en heeftet wel gegaen;

Dan had ic te bloot geseten

Dan begon ic al te vroug

Dan had ic den slach vergeten

Dan en trock ic niet genough

Dan wast al te stueren weder

Dan te claren Sonne-schijn

Noyt en quamer vogel neder

t'Scheen ten wilde nimmer sijn:

Vraegter ymant nae de reden

Waer aen dat het schorten mocht?

Geensins aen mijn rappe leden

En noch minder aen de locht:

Macker, hoort eens sonder jocken

Hoort den gront van mijn verdriet

Vincken moeten vincken locken

Sonder vincken vanghtmen niet

Vincken heb ic nu gekregen

Daer ic mede vincken magh

Nu soo coomter vinck gesegen

Daermen eerst geen vinck en sagh.

Dit o vrient dit moetje dincken

Anders sijt ghy my te dwaes

Niemant vinckter sonder vincken

Niemant vister sonder aes.

Wil de laatste Nederlander opstaan die in het eindeloze werk van Jacob Cats nog een sprankje poëzie ziet? Eeuwenlang was hij onze volksdichter numero uno. En nu? Sommige dichters blijven nog als karikatuur aanwezig - zelfs dát is bij Cats niet het geval. Ook parodieën op hem - als die al bestaan - hebben hem niet overleefd. Toch intrigeert zijn populariteit. Cats moet tot een humus hebben bijgedragen waaruit gedurende die eeuwen ook andere, iets minder vergeten dichters zijn opgegroeid, ook als ze het anders wilden doen dan hij. Nu, een interessant onderwerp voor de geschiedenis van leesgedrag en beïnvloeding. Over de poëtische waarde nu van Cats zegt het niets, net zomin als de 'maatschappelijke relevantie' die ze hem in de jaren zestig wilden toekennen. Populariteit en herkenbaarheid bij een dichter garanderen geen goeie poëzie.

Zoals iets humoristisch' opeens niet humoristisch meer kan zijn, zo waren Cats' gedichten van de ene dag op de andere geen gedichten meer. 't Ligt niet aan zijn tijdvak: poëtisch gezien zijn daaruit genoeg zaken aanwijsbaar die ons weer aanspreken. Er is iets met Cats dat de twintigste-eeuwer grondig ergert. Het zal, naast zijn moralisme en breedsprakigheid, iets te maken hebben met zijn halfslachtigheid. Soms heeft hij iets van Huygens, maar altijd een beetje. Soms heeft hij iets van Hooft, maar nooit te veel. Zoiets, ongeveer.

Ach, laat me na al dit lelijks over hem even voor de laatste Nederlander spelen. Er moeten in zo'n omvangrijk oeuvre toch een paar aardige versjes staan? Die staan er ook in. 't Bijgaande versje bij voorbeeld.

Na het verlangen in de eerste vier regels volgt de desillusie van de tweede vier: het lijkt een authentieke desillusie die je bijna erotisch zou interpreteren. Nooit eens ging het goed met het verlangen, steeds bleef de bevrediging uit. De herhalingen van het dan versterken de suggestie van impotentie. Dan weer was de jager te nadrukkelijk aanwezig, dan weer begon hij te vroeg, dan weer was hij de slach (het gereedschap om te vangen) kwijt, dan weer trok hij niet hard genoeg. Nooit, nooit streek er een vogel bij hem neer. Het leed van de vinkenvanger.

Tot de regel Macker, hoort eens sonder jocken dringt zich de erotische dubbelzinnigheid op. De vogelaar wil wel vogelen, maar er vliegt niets in zijn net. Hoe hij ook heeft gestaen. Ondanks zijn rappe leden en de zwoele lucht. Grapjes voor de goede verstaander, terwijl de modale lezer in de waan blijft dat het gewoon over de vinkenvangst gaat.

Haal ik dit gedicht nu niet - net als Van Es met zijn Cats in de rol van maatschappijcriticus - geforceerd naar onze tijd toe? Ik denk van niet. Seksuele toespelingen waren toen veel gebruikelijker dan men later wilde toegeven. Bovendien - waarom zou de dichter de reden van zijn onvermogen sonder jocken, ofwel: nu eens zonder gekheid, aan ons - zijn makkers willen uitleggen? Wat was die eerdere gekheid dan?

Die gekheid was de schertsende dubbelzinnigheid. De dichter wordt ernstig Hoort den gront van mijn verdriet en in die ernst laat hij het masker vallen. In zijn uitleg gaat het ondubbelzinnig over vinken, vinken, vinken. Niet om daarmee het vogelgeluid na te bootsen, maar om mee te delen dat je er twee nodig hebt om te vinken. Vinken in de zin van lokken en verleiden, zeker, maar vooral in de toen gangbaarder betekenis van, ahum, coïre. 'Isser in de Stad wel een mens heter Als jy bent; 'k loof dat men een uur na 't vincken wel weer een ey in je neers gaer braje sou,' noemt het WNT als mooi voorbeeld uit 1674. En uit Cats zelf: De vogelaer fluyt wonder mooy,/ Tot dat de vinck is in de kooy - ofwel, als het huwelijk is voltrokken is het uit met de pret. Als de buit binnen is zwijgt de fluit. Een 'vinck' geldt ook als benaming voor het mannelijk lid. 'Mijn vinck wil niet staan.' Waarschijnlijk speelt Cats in dit gedicht met alle betekenissen door elkaar. Wat hij ons wil meedelen? We weten inmiddels dat hij psychologisch interessanter in elkaar steekt dan zijn reputatie wilde, met spanningen die ze in vroeger eeuwen alleen nog konden vermoeden. Bevat dit gedicht een sleutel?

Hoe dan ook, er zingt iets in deze regels. Voor één keer wiegen de herhalingen bij Cats je niet in slaap. Daar gaat het om.