Een onafhankelijke bank

Vroeger las je wel eens dat er in Nederland geen echt debat over Europa wordt gevoerd, zulks in schrille tegenstelling tot landen als Denemarken en Engeland. Dat kun je nu niet meer volhouden. Je kunt geen krant opslaan of het gaat over Europa: over de verbreding van Europa en de verdieping ervan, over het Verdrag van Maastricht en hopelijk dat van Amsterdam, over de EU, de EPU en de EMU. Het is vooral deze laatste, de Economische en Monetaire Unie, - over dat economische hoor je overigens nooit iets - die van alle bestaande en mogelijke unies de gemoederen thans het meeste bezighoudt.

Er zijn in de discussie hierover twee elementen die de aandacht trekken, te weten de hardheid van de euro en de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank. In de meeste visies bestaat tussen deze beide een verband: hoe onafhankelijker de bank, hoe harder de euro. Nederland is vóór een harde euro en dus voor een onafhankelijke bank. Ook vinden wij dat de landen die aan de EMU willen meedoen aan strenge eisen moeten voldoen. De Duitsers denken daar net zo over. Hoe kan het ook anders, want zij hebben een harde mark en wij een gave gulden. En daar zijn zij en wij trots op. De sterke mark is het symbool van de Duitse naoorlogse welvaart en de harde gulden van het succes van ons delta-model. Wij zijn dus voor een harde valuta en dat lijkt alleszins logisch. Maar is het dat ook?

Is een sterke munt altijd goed? Er zijn mensen die daar anders over denken, zoals bijvoorbeeld de Franse ex-president en ex-minister van Financiën en Economie - en briljant econoom - Valéry Giscard d'Estaing. Die wil liever een zwakke franc en een zwakke euro om zo beter te kunnen concurreren met de Amerikanen. Onlangs stond trouwens ergens in deze krant dat de Duitse economie alleen nog maar uit het slop kon worden getrokken door een stijging van de dollar, ja dat zelfs de Duitse deelname aan de EMU hiervan afhing. Een stijging van de dollar komt op hetzelfde neer als een verzwakking van de mark.

Kennelijk is de kwestie van zacht of hard dus toch niet zo simpel als zij lijkt en bestaan er verschillende visies op deze zaak, zoals trouwens op alles in de economie. Ik ken althans geen onderwerp, of het nu de olieprijs, de dollarkoers, de rente, de inflatie of wat dan ook is, waarover niet door prominente economen met overtuiging en hartstocht diametraal tegenovergestelde opvattingen worden verdedigd. Mijn stellige indruk is dan ook dat er voor ieder economisch standpunt wel een professor in de economie is te vinden die het wil verdedigen, en meestal wel een Nobelprijswinnaar ook.

Ik wil hiermee niets slechts over de economische wetenschap zeggen, althans niet nu, maar alleen beweren dat het ook bij de euro kennelijk niet gaat om wetenschappelijk onaantastbare stellingen, maar om appreciaties en taxaties waarover men verschillend kan denken en die bovendien samenhangen met de economische structuur en de belangen van een land. Kortom met politiek. De Europese monetaire politiek is dan ook precies wat het woord zegt: geen wetenschap maar politiek.

Dit geldt ook voor de kwestie van de onafhankelijkheid van de bank. Het beeld dat vaak geschetst wordt, is dat van twee kampen: het Duits-Nederlandse kamp van de onafhankelijken en het door de Fransen aangevoerde kamp van de intriganten. Voor ons is de leiding van de bank simpelweg een zaak van vakmanschap is meesterschap, voor de anderen een kwestie van politieke machinaties. Dat laatste mag niet gebeuren en daarom moet de bank onafhankelijk zijn. Maar wat betekent onafhankelijk nu eigenlijk precies in dit verband? Moeten wij hierbij denken aan een bankdirectie die zich van de politiek niets aantrekt en die geleid wordt door een almachtige president-directeur?

Zo is het natuurlijk niet en zo moet het ook niet zijn. Iedereen kan begrijpen dat er naast een zekere mate van onafhankelijkheid ook een vorm van politieke controle moet bestaan. Het gaat precies om de mate waarin. Dat is geen kwestie van Nederland en Duitsland tegen de rest. Ook vanuit het Nederlandse belang gezien, is het niet goed als de onafhankelijkheid van de bank en de macht van de bankpresident te groot zijn. Wij gaan er kennelijk van uit dat Centrale Bankpresidenten altijd van het type Duisenberg zullen zijn.

Maar zelfs als wij aannemen dat onze Wim de eerste president wordt (maar dan, om maar direct een typisch Europees compromis te bedenken, alleen voor het eerste jaar) dan zal de volgende toch wel een Fransman zijn, of erger nog, een Spanjaard of Italiaan, want die landen zitten ook allemaal in de EU en ze zijn nog groter dan Nederland ook. En als die Fransman er nu eens een van het type Giscard d'Estaing is of - want die heeft tenslotte ervaring als directeur van de Bank voor Oost-Europa - Jacques Attali? Dan zullen wij nog blij zijn met een vorm van politieke controle op de bank.

Er is ook een meer principieel punt. Een aantal jaren geleden rees de vraag of de Nederlandse gulden bij een revaluatie de Duitse mark volledig zou volgen. De president van De Nederlandsche Bank was hier vóór. Het kabinet besloot echter anders. De bank bleek dus niet volledig onafhankelijk te zijn. Dat hebben wij geweten. De internationale financiële wereld kreeg minder vertrouwen in de gulden en de rente op de staatsleningen moest dus omhoog. Het heeft jaren geduurd voor het vertrouwen in de gulden was hersteld. Het was kortom een dure beslissing. Ik denk dat wij ook rustig kunnen zeggen dat het een verkeerde beslissing was. Maar het is nu eenmaal het wezen van de democratie dat een regering beslissingen neemt en daarvoor verantwoordelijk is. En als je beslissingen neemt, zul je onvermijdelijkerwijs ook wel eens verkeerde beslissingen nemen.

Dat is jammer, maar het zou veel erger zijn geweest als onze regering in het parlement had moeten verklaren: “Wij wilden wel anders, maar de president van De Nederlandsche Bank vond dat niet goed en, zoals u weet, is hij de baas in dit land en niet wij.” Dat kan niet in Nederland en ook niet in Europa. Onze regering wil een harde munt, een onafhankelijke bank en Duisenberg als president. Dat wil de Kamer ook. De relevante organen zien het dus als een nationaal belang. Daar moeten wij voor opkomen in Europa en dat doen wij dan ook. Dat alles is zo logisch als het maar zijn kan. Alleen moeten wij niet doen alsof het gek is dat andere landen de zaken anders zien en eveneens voor hun belangen opkomen. Ook dat is namelijk zo logisch als het maar zijn kan. Het gaat hier immers niet om wetenschap maar om politiek.