Draken

Madelon Kielich schrijft in 'Het laatste olifantje is Christus' dat de duivel in de gedaante van een draak iconografisch niet in het paradijs thuishoort (NRC HANDELSBLAD, 18 februari). Rembrandts etsen van de Zondeval met draak staan echter in een lange, vooral exegetisch-verklarende traditie van afbeeldingen die het tegendeel bewijst. Daarbij worden het eerste en laatste bijbelboek mooi met elkaar verbonden.

In het verhaal van Genesis 3 staat dat de vrouw (die pas later Eva zal worden genoemd) door de slang op listige wijze wordt verleid van de verboden vrucht te eten. God zegt daarop tegen de slang: “Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft” (3:14, NBG-vertaling). Die vervloeking impliceert dat er toen iets veranderd is in de wijze van voortbeweging van de slang, vermoedelijk gepaard gaande met een gedaanteverandering.

In de Openbaring van Johannes wordt met een grote boog terugverwezen naar Genesis: “de grote draak werd [op de aarde] geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt”, om vervolgens de strijd aan te gaan met de vrouw en haar nageslacht (Openb. 12:9-18).

Oudere afbeeldingen van de draak van de Zondeval tonen hem vaak met menselijke trekken, bijvoorbeeld in het schilderij van Hugo van der Goes (†1482) in het Kunsthistorisches Museum te Wenen en in een gravure van Lucas van Leyden uit ca. 1506, die hetzelfde onderwerp overigens ook meerdere malen met slang in plaats van draak in prent bracht. Het bijzondere van Rembrandts weergave is dat de draak er juist gemeen uitziet, zonder de meestal mildere, soms zelfs koddige, antropomorfe trekken. Hierdoor laat Rembrandt als het ware doorschemeren dat het in Genesis nog knap-redenerende beest zich aan het einde van de tijden pas van zijn ware, agressieve kant zal laten zien.