Nederlanders zijn niet echt slim

Het kennisoffensief. Door Dany Jacobs, Uitg. Samson Bedrijfsinformatie, ISBN 90 14 05482 3, ƒ 39,95.

De Nederlandse economie floreert als gevolg van loonmatiging, maar zal het daar uiteindelijk niet mee redden. Deze conclusie van de Amsterdamse hoogleraar van Duitse afkomst, Alfred Kleinknecht, deed twee jaar geleden veel stof opwaaien en joeg vele economen, columnisten en politici de gordijnen in. Afgelopen vrijdag kreeg Kleinknecht steun uit onverdachte hoek: oud-secretaris van de werkgeversvereniging VNO-NCW prof. dr. W. van Gelder. “Technologische kennis en bevordering van innovatie zullen uiteindelijk overheersende factoren worden voor het bepalen van de concurrentiekracht”, zei Van Gelder in zijn inaugurele rede aan de TU Eindhoven. Als Nederland een beter innovatieklimaat had gehad, was de langdurige loonmatiging van de afgelopen vijftien jaar volgens de kersverse hoogleraar overbodig geweest en was de gemiddelde Nederlander nu beter af geweest.

De conclusies van Kleinknecht en Van Gelder worden onderstreept in Het kennisoffensief, een boek van Dany Jacobs. Jacobs werd in 1954 geboren te Brugge en woont momenteel in Nijmegen. Hij is werkzaam bij het TNO Studiecentrum voor Technologie en Beleid, is een autoriteit op het gebied van economische clusters, kenniseconomie en innovatiebeleid, en is regelmatig recensent op deze pagina. Het Nederlandse succesverhaal, schrijft Jacobs in navolging van Kleinknecht, kan voor een groot deel worden toegeschreven aan één sterkte: de nadruk op kost-efficiency. En dat is volgens Jacobs niet zonder gevaar, omdat deze sterkte wat “te eenzijdig” is ontwikkeld.

Anderen kennen je volgens psychologen steevast beter dan je jezelf kent. Daarom is het boek van Jacobs extra interessant. De Belg woont met veel plezier in Nederland, maar verbaast zich nog elke dag. Jacobs haalt professor H.W. de Jong aan, die Nederland al in 1980 omschreef als “deltaland”, een handelsnatie op een kruispunt van verkeerswegen. Een term die inmiddels is gekopieerd door minister Wijers (Economische Zaken) en tal van commentatoren. De (werk)cultuur, zo schrijft Jacobs, is hier waarschijnlijk zakelijker dan waar ook ter wereld. Nederlanders hebben daardoor problemen met ceremonieel en etiquette (tijdverlies) bij het zakendoen over de grens. Ook de politieke cultuur is technocratisch, op het academische af. Jacobs: “Nergens anders op de wereld voelen politieke partijen bijvoorbeeld de behoefte hun programma door een Centraal Planbureau te laten doorrekenen”. En de cultuur is ook nog egalitair. Nederlanders zijn doordrongen van het gelijkheidsideaal. Dat leidt niet alleen tot politieke discussies over koopkrachtplaatjes maar - erger - tot middelmatigheid. Een egalitaire cultuur daagt volgens Jacobs niet erg uit tot produkt-innovatie. En daardoor blijven we steken bij bulkgoederen (landbouw/voeding, transport en handel, procesindustrie), die we zo goedkoop mogelijk aan buitenlanders proberen te slijten.

Nederland heeft volgens Jacobs veel zaken om fier op te zijn, maar bezet weinig eerste plaatsen: bij de snijbloemen, in de baggersector, in de cacao - stuk voor stuk overblijfselen uit de Gouden Eeuw, toen Nederland nog wèl echt nummer 1 was. De kopieerapparaten van het Limburgse Océ zijn zowat de sterkste high-tech produkten die Nederland op de wereldmarkt afzet. En dat kan geen toeval zijn, schrijft Jacobs. In Nederland wordt aardig wat afgekopieerd. Jacobs: “Nederlanders hebben dan ook de neiging te doen waarvan ze Japanners verdenken.” Wij ontberen echter één belangrijke eigenschap die de Japanners wél hebben: creativiteit. Jacobs: “Ook Japanners zijn arrogant, maar als ze leren van elders, dan wel met de bedoeling er iets origineels mee te doen, iets nieuws te creëren. In Nederland kopieert men vooral. Wellicht heeft dat met de Nederlandse handelstraditie te maken: als iemand anders met iets nieuws op de markt scoort, dan wil de Nederlander mee op de bandwagon.”

Voor veel ondernemingen is het aantrekkelijker een fout te maken die iedereen maakt - citeert Jacobs de beroemde Engelse economische denker John Maynard Keynes - dan succes te behalen met iets onconventioneels. Of, in de woorden van de ideaal-typische calvinist: “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.” Jacobs: “De lat ligt in het Nederlandse bedrijfsleven hoog, maar de cultuur is meer op navolging, eenvormigheid en kostenconcurrentie dan op differentiatie en slimme concurrentie gericht.”

Loonmatiging en kost-efficiënt produceren hebben een groot nadeel. “Het wordt voortdurend beloond en daardoor in stand gehouden. In andere landen wordt men al sneller 'getriggerd' om met iets nieuws te komen.” Nederland is door dit gedrag volgens Jacobs “meer een land voor de kop van het achtervolgend peloton” dan een winnaar. “Wie nooit demarreert, moet niet klagen als hij nooit, al is het maar met een neuslengte voorsprong, wint.” Het klinkt allemaal niet erg vleiend.

En de beker is nog niet leeggedronken. Jacobs: “Nederland speelt graag de rol van gidsland, maar merkwaardig genoeg niet op economisch vlak.” De Belg heeft daarom lang gedacht dat Nederland geen ambitie had. Zweden, Zwitserland en Denemarken hebben dat bijvoorbeeld wel en scoren hoog op de internationale concurrentietabellen, terwijl ze minder inwoners hebben dan Nederland. Maar ja, schrijft Jacobs zuur, “die landen leggen dan ook meer de nadruk op kwaliteit dan op kwantiteit en dat gaat in tegen het handelsinstinct van de Nederlanders, gericht op massaverkoop”.

Afgaande op deze observaties, lijkt het boek van Jacobs een pamflet tegen het economische conservatisme van de Nederlanders. Dat is het echter niet. Verreweg het grootste deel van het boek gaat over de lessen die de Nederlanders nog moeten leren. Lessen in “slim concurreren in de kenniseconomie”. Jacobs haalt daarbij zoveel bronnen aan dat je als lezer soms de draad kwijtraakt. Ook onderscheidt hij in navolging van zijn grote voorbeeld Michael Porter maar liefst elf “kennislagen”, hetgeen de inzichtelijkheid ook al niet vergroot. Jacobs leunt zo zwaar op de kennis van anderen, dat het verwijt dat hij aan de Nederlanders richt (kopieren zonder slim toevoegen van waarde) als een boemerang op hemzelf lijkt terug te slaan.

Het boek biedt een kaleidoscoop aan inzichten, concepten, praktijkvoorbeelden en theorieën. Te veel om hier in kort bestek uit te werken. “Het belangrijkste uitgangspunt van dit boek”, concludeert Jacobs zelf, “is dat wie zich toelegt op slim concurreren, het ontwikkelen van nieuwe produkten en diensten met hoge toegevoegde waarde, meer concurrentieel is en daardoor ook meer welvaart en werkgelegenheid tot stand brengt.” Dat wordt ook ondersteund door de feiten, aldus Jacobs en hij haalt daarbij expliciet drie grote innovatie-enquêtes van de Amsterdamse hoogleraar Alfred Kleinknecht aan. Kleinknecht revisited. Verplichte kost voor iedereen die wil deelnemen aan het door Wijers, Ritzen en anderen georganiseerde nationale kennisdebat.