Nederlanders wantrouwen de Europese munt

ROTTERDAM, 26 FEBR. Veel meer Nederlanders denken dat hun land er slechter voor komt te staan na invoering van de Europese eenheidsmunt, de euro, dan dat Nederland er beter van wordt. Dit blijkt uit een representatieve peiling van het NIPO onder 1.200 mensen, gehouden in opdracht van NRC Handelsblad.

Een meerderheid van de respondenten is voorstander van een referendum over de euro. Daarin zou de Europese munt op dit moment nipt worden afgewezen, zo blijkt uit de peiling. De foutmarge van de peiling is 2,9 procent.

Twaalf procent verwacht dat Nederland er over twintig jaar beter voor staat bij deelneming aan de Economische en Monetaire Unie (EMU). Dertig procent gaat er daarentegen van uit dat Nederland er bij deelneming over twintig jaar slechter voor zal staan. Negenentwintig procent denkt dat deelname geen verschil uitmaakt. Een meerderheid van 56 procent van de ondervraagden zegt voorstander te zijn van een referendum over deelname aan de EMU. Bij zo'n referendum zou 36 procent nu tegen invoering stemmen, tegen 34 procent voor. De breuklijn tussen voor- en tegenstanders loopt dwars door het electoraat van de vier grote politieke partijen.

De resultaten van de opiniepeiling duiden op een forse verschuiving van de publieke opinie over de Nederlandse toetreding tot de EMU. Een kwart van de ondervraagden is de afgelopen maanden “meer tegenstander” geworden van de euro. Slechts vijf procent is een “grotere voorstander” geworden. Zesenvijftig procent heeft de afgelopen maanden zijn mening niet gewijzigd. In december vorig jaar verklaarde 73 procent van de ondervraagden bij een peiling van De Nederlandsche Bank nog “de euro aanvaardbaar te vinden als opvolger van de gulden”.

Volgend voorjaar beslissen de staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie welke lidstaten zich kwalificeren voor toetreding tot de EMU, die per 1999 geheel in werking treedt. Kwalificatie heeft plaats op basis van criteria die zijn gesteld voor de staatshuishouding, prijsstabiliteit, rente en valutastabiliteit. Een meerderheid (59 procent) van de ondervraagden vindt dat Nederland niet mee moet doen aan de invoering van de euro als andere landen zich niet strikt houden aan die criteria.

Een meerderheid (54 procent) vindt dat Nederland moet deelnemen aan de discussie over de euro, maar pas te zijner tijd het definitieve besluit moet nemen. De Nederlandse regering gaat er overigens van uit dat het besluit tot deelneming, mits de kwalificatiecriteria worden gehaald, al werd genomen toen het Verdrag van Maastricht in 1992 werd geratificeerd. De politiek leider van de VVD, F. Bolkestein, zei eerder van mening te zijn dat het parlement volgend jaar alsnog kan besluiten af te zien van deelname aan de EMU.

Volgens twintig procent van de ondervraagden moet Nederland nu al kenbaar maken zeker aan de EMU te zullen meeedoen. Veertien procent vindt daarentegen dat Nederland nooit moet meedoen.

Zesentwintig procent is voorstander van overdracht van het monetaire beleid aan een onafhankelijke Europese Centrale Bank. Vijfenveertig procent is daar tegen. Een meerderheid van de ondervraagden (59 procent) is van mening dat ook als de euro wordt ingevoerd, de landen van Europa nog steeds onafhankelijk kunnen blijven.

Uit een opiniepeiling van Gallup (gehouden in opdracht van de Daily Telegraph, Le Figaro, het Handelsblatt en L'Espresso) bleek vorige maand dat het enthousiasme voor de EMU in Frankrijk en Italië groot is, terwijl in Duitsland de scepsis overheerst. De in Nederland gehouden opiniepeiling ging uit van vrijwel dezelfde lijst vragen.