Mario Bava: tussen horror, kitsch en surrealisme

Dat de mestvaalt van de filmgeschiedenis een gezonde voedingsbodem voor stijlexperimenten is, bewijst het werk van de Italiaanse genreregisseur Mario Bava. In het Nederlands Filmmusueum zijn de komende weken tien van Bava's 'gothic fantasies' te zien.

Retrospectief op het werk van Mario Bava. In: Nederlands Filmmuseum, Amsterdam. Tot en met 12 maart.

Wie onvoorbereid de komende weken in het Nederlands Filmmuseum een voorstelling uit het retrospectief op het werk van de Italiaanse regisseur Mario Bava binnenloopt, zal zich even achter de oren krabben. Niet alleen verkeren sommige kopieën van de tien uit allerlei hoeken en gaten tevoorschijn getoverde films in een erbarmelijke, bijna egaal paarse toestand, ook de scenario's en acteerprestaties lijken weinig aanleiding te geven tot het bijzetten van Mario Bava (1914-1980) in het pantheon van de filmkunst. Bovendien behoren de 26 films die Bava (soms onder Engelstalige pseudoniemen als John Foam of John M. Old) tussen 1957 en 1979 regisseerde uitsluitend tot obscure genres, zoals de spaghettiwestern, het peplum-spektakel, de science-fiction-kitsch, de 'giallo' (een uitsluitend in Italië vervaardigde, van seks en geweld, maar ook van fantastische elementen doortrokken thrillervariant) en vooral de 'gothic horror' all'Italiana. De titels in de filmografie van Bava, de zoon van een beeldhouwer uit Ligurië, die vanaf de jaren dertig eerst voor tientallen films tekende als cameraman, spreken boekdelen: Il rosso segno della follia/A Hatchet for the Honeymoon (1969), La maschera del demonio/Black Sunday (zijn officiële debuut uit 1960), Ercole al centro della terra/Hercules in the Haunted World (1961) of Terrore nello spazio/Planet of the Vampires (1965).

Toch zijn die vroeger vooral in de B-bioscopen op de Amsterdamse Nieuwendijk en de buurttheaters vertoonde films om tal van redenen interessant, en niet alleen op sociaal-historische gronden. De invloed van Bava is heel groot geweest; hij veroorzaakte vele epigonen en wordt door sommige nog steeds actieve genrefilmers, met name Dario Argento, als leermeester aangeduid. Verrassenderwijs gaf ook Federico Fellini toe minstens een keer Bava direct te hebben geplagieerd; de geest van het kleine meisje in een witte feestjurk dat achter een bal aanloopt in Fellini's Poe-verfilming Toby Dammit (in het drieluik Les histoires extraordinaires, 1968) is letterlijk terug te vinden als Leitmotiv van Bava's Operazione Paura/Kill, Baby, Kill (1966). Het is misschien wel zijn beste film, een Transsylvanische spookgeschiedenis, die zich ook in het Wilde Westen had kunnen afspelen.

Bava's stijl kenmerkt zich door een theatrale, van de werkelijkheid losgezongen vormgeving. Hij maakt graag lange, lyrische camerabewegingen en fotografeert de acteurs soms als zetstukken. De betekenis van de films lijkt uitsluitend te zetelen in de beelden en symbolen, niet in een dramatische samenhang. In Sei donne per l'assassino/Blood and Black Lace (1964) wordt de clou al weggegeven in de oorspronkelijke titel: na het eerste slachtoffer onder mannequins van een exclusief modehuis, weet de kijker al dat er nog vijf zullen volgen. Maar de manier waarop ze, na te zijn geïntroduceerd als centraal aandachtspunt voor de komende minuten, met gratie sneven, lijkt de film genoeg bestaansredenen te verschaffen.

Vroeg of laat moest de aan de onderste rafelrand van de filmgeschiedenis bungelende Bava wel gecanoniseerd gaan worden. Dat is geen kwestie van snobisme, maar een terechte waardering achteraf voor de opvatting dat in de filmkunst juist de mestvaalt een gezonde voedingsbodem biedt voor surrealisme en andere stijlexperimenten.