Joop van den Ende produceert nieuwe versie 'De Jantjes'

AMSTERDAM, 26 FEBR. Joop van den Ende produceert komend seizoen een nieuwe versie van De Jantjes, het uit 1920 daterende volkstoneelstuk van Herman Bouber met liedjes van Louis Davids en Margie Morris. Het script wordt bewerkt door Ivo de Wijs. In de hoofdrollen spelen Carry Tefsen, Peter Faber, Danny de Munck, Ryan van den Akker, Johnny Kraaykamp jr en Leontien Ruiters.

De Jantjes, voor het laatst gespeeld in 1982 door Nooy's Volkstheater, is gesitueerd in de Jordaan in Amsterdam en gaat over drie matrozen die hebben getekend voor dienst in Nederlands-Indië en hun vriendinnen die achterblijven. Het stuk is duizenden keren gespeeld en werd in 1934 verfilmd met toenmalige sterren als Heintje Davids, Fien de la Mar, Johan Kaart en Sylvain Poons. De liedjes, waaronder Daar komen de Jantjes, Word nooit verliefd, Nou tabé dan, Als je huilt ben je een stakker en Omdat ik zoveel van je hou, werden klassiekers. In de bewerking worden diverse dialogen ingekort en vervangen door extra liedjes. “Het wordt een echte musical”, aldus Van den Ende.

De voorstelling, die vanaf komend najaar op tournee gaat, is voor Van den Ende een kleine musical-produktie. Met groter geënsceneerde voorstellingen van het formaat van My fair lady, Evita en West Side Story zal hij zulke tournees langs alle schouwburgen voortaan niet meer maken: “Dat kan niet meer. Het opbouwen, het afbreken, het reizen met zoveel mensen, het spelen in theaters die eigenlijk te klein zijn - dat is technisch en budgettair niet meer te doen.”

Over de toekomst van die grotere reismusicals is Van den Ende nu in gesprek met de grotere provincieschouwburgen, waar ruimte is voor zo'n 1000 bezoekers per voorstelling en waar het publiek bereid is hogere toegangsprijzen te betalen. De bedoeling is dat zulke produkties “met drie à vier bouwdagen, veel techniek, een volwaardig orkest en een hoge production value” dan minstens twee weken in hetzelfde theater blijven staan. Alleen op die manier is het naar zijn zeggen financieel en technisch mogelijk “bijna dezelfde kwaliteit” te bieden als in zijn eigen Circustheater in Scheveningen, waar The Phantom of the Opera drie jaar kon blijven staan en ook Miss Saigon pas hoeft op te breken als er niet voldoende publiek meer komt.

Van den Ende neemt een voorbeeld aan de national tours in Amerika en Engeland; ook daar worden alleen de grootste theaters bezocht voor langere series dan de losse avonden die tot dusver in Nederland gebruikelijk zijn.

Intussen hoopt hij nog steeds in Amsterdam een tweede theater te kunnen bouwen voor de zogenaamde open end-bespelingen. Hoewel hij zich na anderhalf jaar onverwacht heeft teruggetrokken uit de besprekingen over een musical-theater in Amsterdam-Zuidoost, “omdat het onzeker bleef hoe de rest van dat gebied zou worden ontwikkeld en er steeds meer druk op ons werd uitgeoefend om daarin mee te investeren”, blijft Van den Ende van mening dat er zo'n tweede theater moet komen. “Van de tour operators, die met bussen naar het Circustheater rijden, komt voortdurend de vraag of we niet méér kunnen aanbieden. De behoefte is er dus; veel mensen willen best twee keer per jaar zoiets meemaken in plaats van één keer.”

In dat beleid past ook de nieuwe Nederlandse musical Joe van Ad en Koen van Dijk, de makers van Cyrano, die in augustus in theater Carré in Amsterdam in première gaat en daar vier maanden blijft staan. De produktie - met Vera Mann, Stanley Burleson, Mathilde Santing en Simone Kleinsma in de hoofdrollen en veel projecties, explosies en hydraulische effecten - is veel te groot opgezet om vervolgens op tournee te gaan. De enige mogelijkheid is de show eind december in zijn geheel over te plaatsen naar een ander theater en daar een tweede lange serie te spelen.

Van den Ende, wiens theaterafdeling sinds het succes van The Phantom niet meer door zijn tv-activiteiten hoeft te worden gesubsidieerd, houdt er bovendien rekening mee dat Joe, over Amerikaanse soldaten op een vliegbasis in 1944, internationaal kan worden geëxploiteerd. “Alle nieuwe produkties die wij maken”, zegt hij, “moeten, als ze hier succes hebben, vervolgens de grens over kunnen.”