John Travolta

In een serie profielen van filmsterren deze week John Travolta, de 'King of Cool' die te zien is in de op video uitgebrachte tragedie 'White Man's Burden'.

“Ik ben geen Al Pacino”, constateert hij voor de spiegel in Saturday Night Fever. En inderdaad, objectief mooi kun je hem niet noemen. Van de Zeven Schoonheden bezit hij er maar twee - felblauwe ogen en een kuiltje in zijn kin. Zijn neus staat krom, zijn benen zijn kort, hij is te dik en over zijn bleke gezicht valt een flodderige five-o'clock shadow. Toch is John Travolta een van de aantrekkelijkste acteurs die de afgelopen twintig jaar in Hollywood zijn opgekomen. Wie niet valt voor de gratie waarmee hij beweegt (dat verende loopje! die swingende loomheid! de nonchalant opgestoken sigaret!), doet dat wel voor zijn terecht vermaarde grijnslach, die zowel superieur als charmant als kwetsbaar kan overkomen.

John Travolta (Englewood, New Jersey, 18 februari 1954) is de 'King of Cool'. Of hij nu een bendeleider speelt op een middelbare school (Grease, 1978), een geluidsman op het spoor van een politieke moord (Blow Out, 1981), of een mafiahulpje met Hollywoodambities (Get Shorty, 1995), Travolta is altijd stoer en onverstoorbaar, het ideale idool en rolmodel voor de jeugd van 7 tot 77 jaar. Geen wonder dat zijn kledingstijlen in Saturday Night Fever en Urban Cowboy (1980) rages ontketenden, en dat hij bijna in zijn eentje verantwoordelijk was voor het stuiten van het teruglopend filmbezoek in de zo magere late jaren zeventig. In de Nederlandse bioscoopwereld schijnt het 'Travolta-effect' nog steeds een begrip te zijn.

De carrière van John Travolta, een van Hollywoods bekendste leden van de Scientologykerk, is een melodrama op zichzelf. Na het ongeëvenaarde succes van zijn 'trilogie van de mannelijke jeugd' - Saturday Night Fever, Grease (met de mede door Travolta gezongen hits 'You're The One That I Want' en 'Summernights') en Urban Cowboy - kwam hij in de jaren tachtig in steeds beroerdere films terecht. Vergeten leek de Oscar voor de beste mannelijke hoofdrol die hij in 1978 uit handen van Fred Astaire voor Saturday Night Fever had gekregen. Het dieptepunt was de Look Who's Talking-serie, waarin Travolta achtereenvolgens acteerde tegenover een pratende baby, twee pratende peuters en een pratende hond.

Wat toen, in 1994, volgde was de opmerkelijkste filmcomeback sinds Marlon Brando in The Godfather. Quentin Tarantino, de hipste regisseur van het moment én een groot bewonderaar van Travolta's jaren-zeventigfilms, vroeg zijn jeugdidool voor een dragende rol in zijn misdaad-drieluik Pulp Fiction. Als de suffige huurmoordenaar Vincent Vega overstelpte hij het publiek met stoerheid en charme; hij filosofeerde met een briljante komische timing over voetmassages, autovandalen en friet met mayonaise, en begaf zich zelfs met een vette knipoog naar zijn illustere verleden op de dansvloer.

Sinds Pulp Fiction heeft Travolta de rollen weer voor het uitzoeken. Een erg gelukkige hand heeft hij daarbij niet, hoewel hij in White Man's Burden van goud en in de Elmore Leonard-verfilming Get Shorty onbetaalbaar was. Maar zelfs een middelmatige actiefilm als Broken Arrow, of een zweverige tragedie als Phenomenon (volgens velen een leerstuk van de Scientology-ideologie) kan door hem gered worden. John Travolta blijft een van de weinige mannelijke sterren voor wie ik altijd zonder nadenken naar de bioscoop zal rennen.