IJburg-kwestie leidt tot zeepbelretoriek

Arme, arme toekomstige bewoners van IJburg. Dachten ze dat ze gewoon op zoek konden naar een eengezinswoninkje in Amsterdam, blijkt dat daar van hen wordt verwacht dat ze de grootstedelijke problematiek oplossen. Ze moeten de moede, oude hoofdstad een impuls geven, het draagvlak voor de voorzieningen omhoogduwen en de files bestrijden.

“Aan de orde is de toekomst van de stad”, schreef wethouder Duco Stadig onlangs in deze krant. Ik zou me wel tien keer bedenken voor ik als doodgewone burger zo'n zware verantwoordelijkheid op me nam.

Stadig legde uit waarom de Amsterdammers blij moeten zijn met IJburg. 'Fantastische locatie', 'goed bereikbaar met openbaar vervoer', 'prachtig plan', 'in de Amsterdamse traditie'. Op het eerste gezicht herkennen we in deze woorden de gebruikelijke Amsterdamse bestuurdersgrootspraak. Als de tomeloze ambtenaren van de Stopera een plan bedenken, moet dat in één klap ten minste drie problemen oplossen. De stad heeft er vele voorbeelden van gehoord, maar zelden gezien. De meeste multi-oplossingen - het IJ-oeverproject, de cultuurtempel op de Oostelijke handelskade, het Van den Endecomplex aan de Bijlmerboulevard - zijn namelijk onder dergelijke ambities bezweken.

IJburg verschilt in één opzicht van deze voorbeelden. Het lot van de nieuwbouwwijk wordt door een referendum beslecht. Gisteren viel de oproepkaart in de brievenbus, 19 maart beslist de bevolking van Amsterdam dus over 'de toekomst van de stad'. Dat perspectief maakt de zeepbellenretoriek van de verantwoordelijk wethouder des te droeviger. Ons was beloofd dat het gemeentebestuur de inwoners voortaan als volwassen en mondige burgers tegemoet zou treden. Het tegendeel blijkt waar. Uit angst voor de domheid of de onwil van de bevolking wordt de discussie gereduceerd tot een prijsvraag. Maak de zin af: 'Ik wil in IJburg wonen omdat...'

Van een bestuurder die zijn plan presenteert zou je verwachten dat hij laat zien met welke wurgende dilemma's hij heeft moeten worstelen, voor-die tot dit besluit kwam. Een weldenkende bevolking zou de afwegingen van het bestuur op waarde moeten schatten. Maar dat risico wil de wethouder niet nemen. “Alternatieven zijn er niet”, beweert hij. Met andere woorden, niemand weet het beter dan wij en bemoei je er liever niet mee.

(Als Stadig geen alternatieven weet voor IJburg, moet hij direct na het referendum aftreden. Indien zijn plan wordt afgewezen, kan hij de stad - waarvan de toekomst immers aan de orde is - in elk geval niet verder helpen. Maar zelfs indien IJburg wel kan doorgaan, hebben we daarna een bestuurder nodig die de verwachte extra toestroom van bewoners na het jaar 2005 kan opvangen - iemand mét alternatieven dus.)

Typerend voor de manier waarop het Amsterdamse gemeentebestuur zijn referendum beschouwt, is de opvatting van een van de grootste voorstanders ervan, D66'er Ernst Bakker. Die vat de bedoeling ervan aldus samen: “De burgers kunnen de politici voortaan een poepie laten ruiken”. O, verworvenheid voor de democratie! Poepies ruiken.

Wie het referendum op deze manier bekijkt, kan inderdaad niet anders dan met slogans, voorlichtingsbudgetten en campagnestrategiën de bevolking te lijf gaan. Die kan inderdaad een omstreden besluit nooit meer als een compromis aanmerken, alleen nog als een sleutel tot de hemel. En die kan inderdaad, zoals burgemeester Patijn begin dit jaar, alleen maar boos worden als de 'tegenstander' zich van dezelfde professionele methoden probeert te bedienen. In zijn verschrikkelijke angst voor de burgers - bij de vorige twee referenda werden gemeenteplannen met negen tegen een weggeveegd - is het stadsbestuur verkrampt.

Amsterdam moest en zou, inmiddels drie jaar geleden, zijn referendumverordening hebben. De stad, toen nog geleid door burgemeester Ed van Thijn, wilde zo graag een toonbeeld van democratie zijn, dat het bestuur de regeringsplannen voor referenda niet wilde afwachten. Nu zit ze ermee. Minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken heeft de lokale referendumverordening aan de grondwet getoetst en afgekeurd. Maar Amsterdam kan niet meer terug. De bevolking laat zich het recht op het referendum niet meer afnemen en geen lokale politicus die de ongrondwettelijke wet zou durven terug te draaien. De Amsterdamse bestuurders zitten er voorgoed aan vast. Ze zullen nog heel wat poepies moeten ruiken. Na het referendum over IJburg doemt al dat over de Noord-Zuidlijn op. En ook daarvan heeft de verantwoordelijk wethouder (Bakker) al in alle toonaarden laten weten dat “de toekomst van de stad aan de orde is”. Zo ziet het referendumtijdperk er dus uit. Ik had het me wat verhevener voorgesteld.