Genesis 1:1-5; De enige spreker

In den beginne schiep God den hemel en de aarde. Met buigings-n. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren. En God zeide: Daar zij licht: en daar werd licht. Dit is de tekst van de Statenvertaling uit 1637, die onder anderen mijn ouders nog met de paplepel naar binnen hebben gekregen.

In den beginne schiep God den hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op den vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. Dit is de zogenaamde nieuwe vertaling van het Nederlands Bijbel Genootschap uit 1951, wat jonger dan ik die ermee ben grootgebracht, nog vrij dicht bij de Statenvertaling. In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de geest van God zweefde over de wateren. Toen zei God: 'Er moet licht zijn!' En er was licht. De buigings-n is verdwenen, God spreekt tussen aanhalingstekens, en zelfs met uitroepteken. Dit is de - geheel herziene-Willibrordvertaling uit 1995. In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was onherbergzaam en verlaten. Een watervloed bedekte haar en er heerste diepe duisternis. De wind van God joeg over het water. Toen zei God: 'Er moet licht zijn!' En er was licht. Dit is de Groot Nieuws Bijbel, eerste herziene druk, 1996.

Kende ik maar Hebreeuws. Goed Hebreeuws; niet het beetje dat ik lang geleden op school heb gehad en vergeten ben. Het werd facultatief gegeven en was in de eerste plaats bedoeld voor aanstaande theologen. Ik zou graag een indruk hebben van het gezag waarmee men meent te weten wat er staat en vooral: hoe. Het zijn de bekende en onvermijdelijke vertaalproblemen: wat is het register, wat is de toonhoogte? Waardoor wordt het verloop van de tekst gekenmerkt? Het zijn ook lezerproblemen. Met welk recht klampt de een zich vast aan de Statenvertaling en verkiest een ander de Groot Nieuws Bijbel? Want de som van al die op zichzelf zo klein lijkende verschillen kan bepalend zijn voor de dunk die men heeft van de tekst. Hetzelfde geldt voor het begrip waarop deze zal kunnen rekenen. Het luistert nogal nauw, nietwaar, wat God zegt en hoe hij dat doet. 'Daar zij licht,' (SV) 'Er zij licht.' (NBG) 'Er moet licht zijn!' (Willibrord en GNB) Die oude coniunctivus van de Statenvertaling - misschien alleen maar omdat hij zo verweerd is en zo lapidair - lijkt het literair toch echt te winnen van het minstens even eigenaardige kennelijk modern geachte Nederlands dat God in de recente vertalingen in de mond gelegd wordt. Er moet licht zijn - wat is dat nou voor taal?! Vreemd hoor, deze eenstemmigheid over zulk weinig bekkend Nederlands. 'Er moet licht komen'. Misschien beter nog: 'Licht!'

Let wel, dit zijn de eerste woorden van God, en er is niemand anders dan hij om ze te horen. Hier klinken de eerste woorden ter wereld; ter wereld zowel als in het nog lang niet volledig gereed gekomen universum. Het is een schemerige plaats waar God zijn opwachting maakt. Het blijft, in al zijn krankzinnige compactheid, een wonderbaarlijk stelletje verzen waarmee het eerste bijbelboek komt binnenvallen. De kortafheid, de vliegende vaart, de terloopsheid, de schetsmatigheid van het scheppingsverhaal, ze zijn zonder weerga. In de eerste vijf verzen van Genesis wordt het scheppingswerk van de eerste dag verricht. Op de eerste dag - nog eens: de eerste dag ter wereld zowel als in het universum - schept God door het commando 'Licht!' vooral ook... de eerste dag. In vers 3 vangt en passant de tijdrekening aan. Wat hier op gang wordt gebracht, dat is de eerste dag van het eerste jaar des Heren.

Maar de twee verzen die eraan voorafgaan blijven van een niet geringe raadselachtigheid. De vraag is wat het verband tussen die twee eerste verzen is. Zou het eerste vers een prolepsis kunnen zijn, een korte samenvatting van wat komen gaat, bijna een titel? In dat geval wordt het tweede vers chronologisch gesproken 'het eerste' en staat daar aangeduid in welke schemerstaat God aan het scheppen slaat. Zijn uitgangspunt is dan niet een groot niets: de situatie van de aanvankelijke woestheid en ledigheid is dan al voorhanden. In dat geval hoeven we het probleem van de schepping niet te vermeerderen met dat van een creatio ex nihilo. Ik opper het maar. Want het aardige van de bijbel is dat er nooit alleen maar staat wat er staat, dat alles voor interpretatie open is, en dat geen enkele interpretatie ooit afdoend of zelfs toereikend zal kunnen zijn. Op de plaats die een paar verzen later met recht 'de aarde' genoemd zal kunnen worden, daar is het in het begin nog even 'woest en ledig'. Wellicht staat deze onbehouwen oertekst het toe, te denken dat God hetzij als Geest hetzij als wind zelf heel even deel uitmaakt van de schemerige staat waarvan in het tweede vers gerept wordt. En slaagt hij erin, zich van daaruit verder te verzelfstandigen, en weet hij met zijn adem-van-wind tot spreken te geraken.

Hoe dan ook is het een schitterend en paradoxaal tafereel, dat van een volstrekt eenzame God, die spreekt, en wiens spreken scheppen is. Hij spreekt, niet om te beschrijven maar om te maken. Zijn werk is het scheppen van orde en het maken van onderscheid. Taal is zijn handelwijze vanaf ook zijn eigen begin. Hij treedt aan als wind boven de wateren en spreekt. Hij is zo goed als synchroon met alle ontstaan, deze eenzame nog onverstoorbare spreker.