Europa moet Midden-Oosten de weg wijzen

Georges Clémenceau, de Franse staatsman die halverwege de Eerste Wereldoorlog het heft van zijn land in handen nam, omschreef oorlog ooit als “iets te serieus om alleen aan militairen over te laten”. Zou het vredesproces dat gaande is in het Midden-Oosten te serieus kunnen zijn om alleen aan regeringen over te laten?

Juist toen in Davos in het flitslicht en de schijnwerpers van de wereldpers de Egyptische, Israelische en Palestijnse leiders Mubarak, Netanyahu en Arafat elkaar ontmoetten, had een andere, veel teruggetrokkener maar hoogst symbolische bijeenkomst plaats in Denemarken. Aan de Oostzee, veertig kilometer buiten Kopenhagen, werden meer dan veertig vertegenwoordigers van de Egyptische, Israelische, Jordaanse en Palestijnse burgermaatschappij het eens over de zogeheten 'Verklaring van Kopenhagen', waarbij zij een internationaal bondgenootschap sloten ten behoeve van de vrede voor Arabieren en Israeliërs.

De locatie van deze bijeenkomst was doortrokken van symboliek. Precies op de plek aan zee waar nu het Louisiana Museum of Modern Art staat, dat als gastheer optrad, werden in 1943 vrijwel alle joden van Denemarken in kleine bootjes naar de neutrale vrijhaven Zweden geëvacueerd. Vierenvijftig jaar later bewees Denemarken opnieuw dat kleine landen, geïnspireerd door een ideaal en goede wil, grote dingen kunnen bereiken.

De Verklaring van Kopenhagen wortelt in het geloof dat in het Midden-Oosten 'diplomatie van volk tot volk' essentieel is. Bemoedigd door het succes van het Akkoord van Oslo wilden de Denen een eigen bijdrage leveren aan het vredesstreven in het Midden-Oosten, niet op het diplomatieke vlak, maar op non-gouvernementeel niveau. Wat begon als een Egyptisch-Israelische dialoog won aan representativiteit doordat Jordaniërs en Palestijnen gingen meedoen. Toen Netanyahu de verkiezingen in Israel won en de moeilijkheden bij het vredesproces zich opstapelden, verkreeg het initiatief daardoor nog extra actualiteit en relevantie.

'We hebben elkaar nodig', was het motto van Kopenhagen. Een Palestijn van nog geen 35 jaar, die al vijftien jaar van zijn leven in Israelische gevangenschap had doorgebracht, kon er luid en duidelijk verkondigen dat zonder de vrede zijn halve leven “voor niets verspild” zou zijn geweest.

Voor de ondertekenaars van de Verklaring van Kopenhagen zal het streven naar vrede in het Midden-Oosten precair blijven zolang de contacten tussen de volkeren in de regio sporadisch blijven. Intolerantie, de naaste het recht van bestaan ontzeggen, angst - ze komen vooral voort uit de onbekendheid met de ander en het vrijwel geheel ontbreken van contacten.

De Verklaring van Kopenhagen kan een historische gebeurtenis worden, niet zozeer door haar feitelijke inhoud - een compromistekst op basis van welwillende, maar tamelijk algemene beginselen - alswel door de indrukwekkende lijst mede-ondertekenaren. De grootste gebeurtenis in Kopenhagen was de samenstelling van de delegaties uit elk van de landen, vooral de Israelische en de Palestijnse. Dit was nu eens niet de gebruikelijke peacenik cocktail.

De Palestijnse delegatie bestond behalve de te verwachten leden van de PLO ook uit leden van de moslim-fundamentalistische Palestijnse organisatie Hamas en vertegenwoordigers van het Democratisch Front voor de Bevrijding van Palestina van Hawatmeh. Ook aan Israelische zijde omvatte de delegatie niet alleen de 'vredesprofessionals', maar ook voorname vertegenwoordigers van rechtse partijen, leden van de regerende coalitie. Hier zag men het ontstaan van een werkelijk representatieve vredeslobby.

De cynicus, of volgens sommigen de realist, zal het veel geschreeuw en weinig wol noemen - zoals Stalin had kunnen zeggen: “Hoeveel divisies hebben die lui?” Maar in een door geweld en intolerantie verscheurde regio vertegenwoordigen de ondertekenaars van de Verklaring van Kopenhagen de zwijgende meerderheid, dat wil zeggen gewone mensen van allerlei pluimage die het bloedvergieten moe zijn en vooral vrede willen als zijnde een voorwaarde voor een normaal leven.

Voor de Europeanen, die graag een rol willen spelen in het Midden-Oosten maar door de dominante, sommigen zouden zeggen arrogante, Verenigde Staten hooguit een frustrerende rol als bankiers krijgen toebedeeld, is de Verklaring van Kopenhagen van zeer significante betekenis. Juist doordat niemand de bedoeling van de Deense regering in twijfel kan trekken, omdat Denemarken immers geen duidelijke eigen belangen in de regio heeft, blijkt het Deense initiatief zo succesvol.

In het Midden-Oosten zei men aan het einde van de Koude Oorlog dat de Sovjet-Unie de sleutel tot de oorlog was, en de Verenigde Staten de sleutel tot de vrede. Wellicht dat men, dankzij initiatieven zoals van de Deense regering, straks zal zeggen dat Europa de sleutel tot de verzoening tussen Arabieren en Israeliërs, en in het bijzonder Israeliërs en Palestijnen, in handen heeft. Omdat het Europese continent ontelbare oorlogen heeft gekend die achteraf zijn te kenmerken als broedertwisten, kan Europa met zijn lange historische ervaring deze rol beter vervullen dan Amerika met zijn relatief vredige verleden.

Een dergelijke rol vooronderstelt bij de Europeanen een juiste mengeling van bescheidenheid en goede wil, want Europa zal niet door zowel Arabieren als Israeliërs als een natuurlijke gesprekspartner worden aanvaard. Shimon Peres mag wellicht in de Euroepse Unie het model voor welvaart en vrede in het Midden-Oosten van morgen zien, maar voor de meeste Israeliërs heeft Europa nog altijd een negatief imago door de Holocaust en ook door de dubbelzinnige diplomatieke rol die ze heeft gespeeld. Die culmineerde in de slotverklaring van de Europese top in Venetië (1980) waar men onder leiding van Frankrijk koos voor een beleid van scepsis ten aanzien van de vredsakkoorden tussen Israel en Egypte.

De Arabische regimes en de Palestijnen zelf blijven Europa vooral pragmatisch zien als een kaart die ze kunnen uitspelen om druk uit te oefenen op de belangrijkste partij, mondiaal en regionaal, de Verenigde Staten. Door een 'Scandinavisering' van het Europese beleid inzake het Midden-Oosten, dat wil zeggen een mengeling van bescheidenheid en idealisme, zou Europa het best kunnen bijdragen aan het streven naar vrede. Die houding hoeft niet te betekenen dat Europa afziet van machtspolitiek, maar zou een bewijs zijn dat het de eigen ervaring uit haar roerige verleden en heden aan anderen ten goede kan laten komen.