Debat laait op bij de nadering van het uur 'u'; Opinie slaat om in het nadeel van de euro

ROTTERDAM, 26 FEBR. Onwetendheid, zo concludeerde De Nederlandsche Bank uit een eind vorig jaar gehouden opiniepeiling, is de voornaamste oorzaak dat veel Nederlanders zich opstellen tegen het invoeren van de euro, de Europese eenheidsmunt. Tien procent van de ondervraagden uit de peiling door de centrale bank zei zich vaak te verdiepen in de komst van de Economische en Monetaire Unie, 40 procent soms, en 50 procent zelden.

Toch zei 73 procent van de door de Bank ondervraagden destijds ja op de vraag of zij de euro “aanvaardbaar vinden als opvolger van de gulden”. Dat was meer dan de 71 procent die in mei 1996 bevestigend antwoordde, en 59 procent die dat een jaar daarvoor deed. De euro kon zich kennelijk verheugen op een warme ontvangst in Nederland.

Of onwetendheid reden is om tegen de euro te zijn, is vanaf vandaag de vraag. De resultaten van de peiling weerspiegelen een forse verschuiving in de publieke opinie in het nadeel van de euro. Die verschuiving vindt over het gehele politieke spectrum plaats. De stemming rond de euro in Nederland begint steeds meer te lijken op die onder het Duitse publiek, dat zich al langer in meerderheid argwanend toont.

Een verschil in vraagstelling kan daar een rol bij spelen. Het zeer grote percentage voorstanders dat de Nederlandsche Bank eind vorig jaar peilde op de vraag of de euro aanvaardbaar is, lijkt bij nader inzien eerder blijk te geven van berusting: als de euro er toch van komt, dan moet het maar.

De zaak lijkt anders te liggen als Nederlanders zich actiever uit kunnen spreken over de euro. In een vorig jaar juni gepubliceerde enquête in deze krant, die was opgezet door wetenschapper P. Kapteyn, zei op de vraag of men voor- of tegenstander is van een Europese munt, 46,3 procent van de respondenten voorstander te zijn. 33,1 procent toonde zich tegenstander. De resultaten van de opiniepeiling van vandaag tonen zelfs een groter aantal tegenstanders dan voorstanders. De vraag was hier wat men zou stemmen als er een referendum over de euro zou worden gehouden. 36 procent van de ondervraagden gaf te kennen tegen te stemmen, tegen 34 procent voor.

Waar komt dat verschil vandaan? De afwijkende vraagstelling kan andere antwoorden opleveren. Vandaar dat voor de huidige enquête de vraagstelling en -volgorde is gevolgd van een Gallup-poll die in december in Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië en Duitsland werd gehouden en waarvan de resultaten bij publicatie vorig maand zeer serieus werden genomen op het internationale politieke speelveld. Ook tijd kan een rol spelen. In 1992, toen het parlement het Verdrag van Maastricht waarin de muntunie is vastgelegd ratificeerde speelde de elenemtaire discussie over de voors en tegens van de eenheidsmunt zich goeddeels af binnen de muren van het Binnenhof. Een openbaar debat was er niet of nauwelijks over een fenomeen dat zich pas zeven jaar na dato zou voordoen.

In 1997 komt de euro razendsnel dichterbij. Paul Marchelli, een bestuurslid van de Deutsche Bank, merkte vorige maand in Davos op dat het nog maar 400 werkdagen duurde tot de introduktie van de ene Europese munt in 1999. En volgend jaar rond deze tijd beslissen de Europese staatshoofden en regeringsleiders al welke lidstaten er mee mogen doen in 1999 en welke niet. In december maakte het publiek kennis met het ontwerp van de bankbiljetten. De munt-ontwerpen zien binnenkort het licht, mogelijk tijdens de Europese Top van juni in Amsterdam. De euro treedt zo nadrukkelijker op de voorgrond naarmate het uur 'u' nadert. Dat is te zien aan de derde mogelijke verklarende factor voor de verrassende uitkomst van de vandaag gepubliceerde opiniepeiling. Het debat over de euro woedt in Nederland juist de laatste maanden in alle hevigheid. De grotere publiciteit, en daarmee een gegroeid bewustzijn van het publiek, over de voor- en nadelen van de euro lijkt zich daarbij tegen de Europese munt te keren. 30 procent van de ondervraagden zegt zijn mening de afgelopen zes maanden te hebben gewijzigd. Van die 30 procent is maar 5 procent een grotere voorstander geworden, tegen 25 procent meer tegenstanders. De onwetendheid over de euro, af te lezen aan het aantal van 22 procent bij de vraag of men in een referendum voor of tegen de euro zou stemmen, is niet wezenlijk veranderd ten opzichte van Kapteyns peiling uit juni vorig jaar. Hij peilde een percentage van 20,6 niet-weters op de vraag of men voor- of tegenstander was van een Europese munt. Wellicht heeft de verschuiving van de publieke opinie zich dus binnen de groep voorgedaan die zich gekwalificeerd acht om te antwoorden.

Geeft de argwaan rond de euro blijk van een grote scepsis ten opzichte van de Europese Unie zelf? Kapteyn mat in juni vorig jaar 72,4 procent positieve antwoorden op de vraag of men “het een goede zaak vindt dat Nederland lid is van de Europese Unie. Hoewel de vraagstelling vandaag iets afwijkt - “vindt u het Nederlandse lidmaatschap van de Europese Unie een goede zaak een slechte zaak of niet goed en niet slecht” - is het percentage positieve antwoorden fors gedaald, tot nog slechts 51 procent. Samen met de antwoordcategorie 'niet goed en niet slecht' kwam Kapteyn op 89,5 procent. De opiniepeiling van vandaag komt op 77 procent. 64 procent van de respondenten zou voor stemmen als er een referendum zou worden gehouden over het Nederlandse lidmaatschap van de Europese Unie. Angst voor een federaliserende werking van de euro, die overigens wordt afgewezen, is er nauwelijks. De argwaan lijkt zich zo te concentreren op de euro zelf. Er zijn meer respondenten die verwachten dat de invoering van de munt slecht zal uitwerken voor Nederland dan respondenten die er extra vruchten van verwachten. Nederland zou volgens 59 procent van de ondervraagden dan ook niet aan de munt moeten meedoen wanneer andere landen zich niet strikt aan de toetredingseisen houden. Naast de 14 procent die deelname aan de EMU al helemaal afwijst, vindt 54 procent van de ondervraagden dat het definitieve besluit over deelname moet worden uitgesteld.

Het inschatten van de attitude van de categorie 'weet niet' kan een belangrijke rol spelen bij de publieke en politieke interpretatie van de vandaag gepubliceerde peiling. Gezien de kennelijke negatieve invloed van de grotere publiciteit rond de euro, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat uit de pool van besluitelozen wellicht meer sceptici dan voorstanders van de euro tevoorschijn zullen komen.