De tijd maakt korte metten met de charme van Doisneau

Robert Doisneau: Retrospektive. Kunstverein, Grabbeplatz 4, Düsseldorf. T/m 6 april. Catalogus: DM 49,80.

In de zomer van 1934 fotografeerde Robert Doisneau in het 14de arrondissement van Parijs een groepje kinderen die aan het belletje trekken zijn. Het hele vertier ligt erin besloten, alle details staan op hun plek: het ene joch dat durft, de drie die alvast wegrennen, het kluitje dat even verderop gierend van de lach staat te wachten, plus het kleine meisje dat op enige afstand het pandemonium gadeslaat.

Het is een foto waarin alle ingrediënten zitten die Doisneau (1912-1994) tot een van de aansprekendste vertegenwoordigers van de naoorlogse humanistische reportagefotografie maken: een gebeurtenis van niks, een eetlepel humor en verder eindeloos veel geduld. Een stroper noemde de schrijver Jacques Prévert hem: hij 'pikte' je foto zonder dat je het in de gaten had.

Op de grote, door zijn biograaf Peter Hamilton samengestelde, chronologische overzichtstentoonstelling, die momenteel te zien is in de Kunstverein in Düsseldorf, neemt die foto uit 1934 maar een bescheiden plaats in. Geen enkele foto wordt er echt op een voetstuk geplaatst, of het zou Le Baiser de l'Hôtel de Ville (De kus) moeten zijn. Die foto uit 1950, van het al wandelend zoenende paartje, verschafte Doisneau wereldfaam. Het beeld, dat voor de tentoonstelling opnieuw en eigenlijk wat te kil is afgedrukt, groeide uit tot de icoon van het romantische Parijs. De ontdekking jaren later dat het beeld in scène gezet was, heeft daar niets aan kunnen veranderen.

Tweehonderdvijftig foto's omvat de tentoonstelling, voor het merendeel vintageprints. Soms drie rijen dik en in telkens wisselende formaten en patronen zijn ze bij elkaar gepropt in één zaal met, ook dat nog, fel oranje muren. Te veel en te vol is het, maar ook een ware schatkist van perfect afgewogen foto's van dagelijkse momenten waarop, zoals Doisneau het zelf ooit formuleerde, 'het universum zich heel eventjes gewichtloos aandient'.

Die momenten, flinterdun en vluchtig, vond hij vooral in de straten van Parijs en haar banlieus, in cafés en onder bruggen, op trouwerijen en in theaters.

Hij fotografeerde er twee jochies die op hun handen de Avenue du Docteur Lecène aflopen, een man die zijn konijn uitlaat aan de voet van de Eiffeltoren, een innig gearmd paartje achter een prikkeldraadversperring in de Tuilerieën (gemaakt in de oorlogsjaren; ook toen behield hij zijn voorliefde voor het randgebeuren), een blinde accordeonspeler op de hoek van de Rue Mouffetard, twee dansers op een verlaten pleintje - hemdsmouwen, een omhoogwervelende jurk, vlinders in een zwoele julinacht. En in 1955 maakte hij de verdrietigste kermisfoto aller tijden: de kindercarrousel van monsieur Barré op het verregende Place de la Maire.

Die foto's vonden gretig aftrek, niet in het minst omdat ze zo aansloten bij de geest van de tijd. Ze lieten zien dat het leven weliswaar hard en arm was, maar ook z'n mooie kanten had. In dit opzicht zijn het strijdbare foto's, bewijs van de wil tot overleven.

Het leverde Doisneau opdrachten op van Vogue voor mode- en society-reportages en hij werd regelmatig gevraagd voor het maken van kunstenaarsportretten. Ook daarvan zijn de voorbeelden te zien: de cellist Maurice Baquet die een paraplu boven zijn muziekkoffer houdt in plaats van boven zijn eigen hoofd, filmmaker Jacques Tati bij een compleet gedemonteerde fiets, een jonge Simone de Beauvoir in 1949 eenzaam aan een hoektafeltje in Café Flore.

Maar het mooiste blijven toch de foto's die hij slenterend maakte op en rond de straat en die, al werden ze soms uitvoerig voorbereid (De Kus is wat dit betreft geen uitzondering), toch altijd onmiskenbaar blijven ruiken naar toeval en verrassing, met de lichtvoetige humor die zo eigen is aan de naoorlogse reportage. Foto's als die van het pas getrouwde paar, zij nog in haar trouwjurk, hij in zijn pak, op weg naar het café bijvoorbeeld, of die van de prijzende blik van de theatereigenaar op de pronte borsten die tijdens een auditie onder een regenjas vandaan worden getoverd, hebben nog altijd een onweerstaanbare charme, al is die inmiddels uiteraard met nostalgie omfloerst.

Ergens in het midden van de jaren zeventig raakte de toverstaf uitgewerkt waarmee Doisneau te werk ging, en ook dat laat de tentoonstelling zien. Niet dat zijn geduld op was, maar het toneel veranderde. De straat had niet langer het besloten voorkomen van een huiskamer, en er begon van alles in de weg te staan: verkeersborden, reclame, auto's.

Heel soms lijkt het nog even te lukken zoals op de foto van de arbeiders in de Tuilerieën die bij het plaatsen van een Venus-beeld houvast vinden aan haar borsten, maar de betovering van de oudere foto's ontbreekt. Het duidelijkste worden die veranderingen in de foto's die hij in het midden van de jaren tachtig in de voorsteden maakte voor het DATAR-project. Zakelijk, strak en in kleur fotografeerde hij het moderne beton en staal, de hoogbouw met haar prefab daktuinen, het vergeefs vrolijk geschilderde straatmeubilair. Zo móest het ook voor dat documentaire project over het moderne stedelijke landschap, maar hij kan zijn afkeer van al die leegheid nauwelijks maskeren.

Als het niet zo kwalijk was zou je het symbolisch kunnen noemen dat in de catalogus, de voor de gelegenheid aangepaste herdruk van een eerder in 1980 verschenen boek, het toekijkende meisje op die foto van het belletje trekken op een haar na is weggesneden.