Bestemming nog onduidelijk; Bij notarissen ligt zo'n vijf ton aan 'joods' geld

AMSTERDAM, 26 FEBR. Bij een onderzoek onder de Nederlandse notarissen naar tegoeden van joodse oorlogsslachtoffers zijn drie nalatenschappen gevonden die zeker Duitse schadevergoedingen bevatten.

Daarnaast zijn tientallen nalatenschappen “met een joods karakter” aangetroffen met mogelijk schadegelden.

Dit heeft het Koninklijke Notariële Broederschap (KNB), de beroepsorganisatie van notarissen, gisteren bekendgemaakt. Het onderzoek is gedaan na een publieke discussie in oktober tussen de broederschap en de stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) over de joodse tegoeden bij notarissen.

KNB constateert dat het onderzoek van de Kamers van Toezicht onder de twaalfhonderd Nederlandse notarissen slechts “enkele claims” heeft opgeleverd. “De indruk bestond dat het om miljoenen ging, maar dat is dus niet het geval. Anderzijds, elke claim is er een te veel, en het is een slechte zaak dat sommige notarissen hebben nagelaten de door hun beheerde boedels te melden”, zegt woordvoerder P. de Vos.

Dit is ook de mening van JMW-voorzitter F. Ensel: “Het is mooi dat er nu eindelijk duidelijkheid is. Ik vind het alleen teleurstellend dat KNB de indruk wekt dat het maar om een paar claims gaat. De bedragen zijn niet interessant, wel het feit dat de nalatenschappen meer dan twintig jaar niet zijn aangemeld.

Drie nalatenschappen met Duitse uitkeringsgelden hebben een gezamenlijke waarde van 47.000 gulden. De notarissen hebben ook nog eens 45 joodse nalatenschappen aangemeld met een waarde van 347.000 gulden. Deze nalatenschappen bevatten mogelijk Duitse schadegelden. Daarnaast zijn 10 joodse boedels aangetroffen, ter waarde van 16.000 gulden, waarvan onduidelijk is of het gaat om een erfenis om of om een uitkering. Er ligt ook nog een dossier ter waarde van 76.000 gulden bij een oud-notaris, die persoonlijk bewindvoerder was voor negen uitkeringen.

De Duitse regering keerde in 1961 ongeveer 125 miljoen gulden uit aan nazi-vervolgden als vergoeding voor immateriële schade. De notarissen keerden deze gelden voor het grootste deel al in de jaren zestig uit aan slachtoffers of hun nabestaanden. De tegoeden waarvan de rechthebbenden niet te achterhalen werden door sommige notarissen overgemaakt naar JMW, of alleen gemeld.

Op grond van deze contacten concludeerde JMW in 1996 jaar dat er nog uitkeringsgeld bij notarissen moest zijn. De aanleiding daarvoor was het boek Tsedaka van de emeritus-hoogleraar prof. dr. I. Lipschits over de geschiedenis van het JMW. Het boek wordt morgen gepresenteerd, maar de passages over de tegoeden kwamen vorig jaar al in de publiciteit.

JMW vindt dat de niet-uitgekeerde schadevergoeding naar de joodse gemeenschap moet. Voor de niet-uitgekeerde materiële vergoeding voor onder meer geroofde meubelen, effecten en ander waardepapieren was JMW - of liever de voorloper van JMW - al aangewezen als rechthebbende bij Koninklijk Besluit. Voor de zogeheten “sterrengelden” ontbreekt een dergelijk document. KNB en JMW zullen binnenkort het ministerie van Financiën, die nu namens de staat recht heeft op het geld, vragen om een regeling om ook deze gelden naar joodse doelen te laten gaan.