ANDREJ SINJAVSKI 1925-1997; Ironie voor laster gehouden

Voor de Sovjet-autoriteiten was hij een lasteraar en voor veel Russische emigranten een pornografisch schrijver die de Hoge Russische Literatuur door het slijk haalde. Andrej Sinjavski, die gisteren op 71-jarige leeftijd in de Parijse voorstad Fontenay aux Roses stierf, viel in de Russische literatuur altijd net uit de toon.

Wereldberoemd werd hij door zijn arrestatie in 1965, samen met de schrijver Joeli Daniël. Beiden bleken onder pseudoniem verhalen te hebben gepubliceerd in het westen, die door de autoriteiten als 'lasterlijk' werden aangemerkt. En zo stonden Sinjavski (alias Abram Terts) en Daniël (alias Arzjak) op 10 februari 1966 voor de rechtbank om het vrije woord te verdedigen. Nog niet eerder hadden de autoriteiten de literatuur zo openlijk in de beklaagdenbank gezet. De aanklacht luidde dat Sinjavski “in een aantal vraagstukken betreffende de politiek van de CPSU en de Sovjet-regering een vijandige positie innemende, de verhalen Het proces begint en Ljoebimov en het artikel Wat is socialistisch realisme heeft geschreven en naar het buitenland gestuurd, verhalen die het Sovjet-systeem belasteren en door de reactionaire propaganda tegen de Sovjet-staat worden gebruikt”. De openbare aanklager verweet beide schrijvers niet alleen publikatie van paskwillen in het buitenland, maar schoof hen gemakshalve ook alle opinies van hun romanhelden in de schoenen.

In zijn laatste woord zei Sinjavski: “Dezelfde angstaanjagende citaten uit de akte van beschuldiging worden hier keer op keer herhaald en creëren een griezelige atmosfeer die met de werkelijkheid niets meer heeft uit te staan. De artistieke truc van de herhaling van steeds dezelfde formuleringen heeft grote kracht. Er ontstaat een geëlektriseerde atmosfeer, waarin de werkelijkheid plaatsmaakt voor iets gruwelijks, bijna net zoals in het werk van Arzjak en Terts.”

De surrealistische atmosfeer van het proces paste wonderwel bij Sinjavski's werk. Zijn verhalen zijn bizar. In de roman Ljoebimov hypnotiseert de fietsenmaker Ljonja Tichomirov zijn stadsgenoten, waarna hij de fictieve stad Ljoebimov met een soort SDI-schild enige tijd aan de waarneming van de buitenwereld weet te onttrekken. In Pchents bezoekt een plantaardig buitenaards wezentje onze planeet. En in IJzel voorspelt de hoofdpersoon dat een langzaam groeiende ijspegel uiteindelijk de dood van zijn vriendin Natasja zal veroorzaken. Zijn verhalen zijn nachtmerrieachtig en de grens tussen fictie en werkelijkheid is flinterdun. Hij hield van de groteske, de fantasmagorie.

Sinjavski werd door de rechtbank tot zeven jaar kamp met streng regime veroordeeld, en Daniël tot vijf jaar. Sinjavski liet zijn kamptijd evenwel bepaald niet onbenut. In de vorm van brieven aan zijn vrouw schreef hij Een stem uit het koor, en hij bedacht er in conceptvorm twee literaire studies, Wandelingen met Poesjkin en In de schaduw van Gogol. Sinjavski kwam in 1971 vervroegd vrij en emigreerde in 1973 naar Parijs, waar hij samen met zijn vrouw het literaire tijdschrift Sintaksis uitgaf. In een gesprek met deze krant zei hij in 1986: “Toen ik in het kamp terechtkwam heb ik veel nagedacht over literatuur en kunst. Per slot van rekening was literatuur de oorzaak van mijn veroordeling. Mijn boek over Poesjkin is in zekere zin een voortzetting van mijn laatste woord op het proces, waarin ik stelde dat kunst onafhankelijk is van de maatschappij. Ik heb Poesjkin uitgekozen als de meest zuivere vertegenwoordiger van de zuivere kunst in Rusland. In het kamp kwam ik tot de conclusie dat je literatuur ook kunt opvatten als werkelijkheid, als een realiteit waarin je leeft en even vrij als je met de werkelijkheid omspringt kun je over literatuur beschikken.”

Dat laatste werd hem in de emigratie niet in dank afgenomen. Zijn boeken over Gogol en Poesjkin kwamen hem te staan op de hoon van het emigranten-establishment, aangevoerd door Aleksandr Solzejnitsyn. Dat Sinjavski het had gewaagd over Poesjkin te schrijven dat hij “op magere erotische beentjes de grote poëzie binnen kwam rennen” werd als je reinste blasfemie beschouwd. Ironie was noch bij de Sovjet-autoriteiten, noch bij hun felste tegenstanders sterk ontwikkeld. Dat je de spot kon drijven met bijna alles, van het meest verhevene tot het meest banale, wilde er bij hen niet in. Sinjavski schreef als reactie op de kritiek het boekje Kleine Sores, over een mannetje dat alleen het goede wil, maar steeds het kwade oproept.

Joeli Daniël was na zijn vrijlating uit het kamp in de Sovjet-Unie gebleven. De laatste keer dat ik Sinjavski ontmoette was een dag na Daniëls begrafenis, in Moskou in januari 1989. De perestrojka was in volle bloei, maar Gorbatsjov had zijn communistische erfenis nog steeds niet van zich af weten te schudden. Met dissidenten had men het nog moeilijk. Het was de eerste keer dat Sinjavski sinds zijn ballingschap naar Moskou terugkeerde. Voor de begrafenis van zijn pen pall kwam hij te laat. De autoriteiten hadden net iets te lang geaarzeld met het visum.

Sinjavski verbaasde zich over de eindeloze douanecontrole. “De douanebeambten namen eerst mijn boeken af, maar toen ze zagen dat het mijn eigen boeken waren, kreeg ik ze terug”, vertelde hij in de woonkamer van de weduwe van Daniël, op de dag na de begrafenis. Toen kwam de weduwe binnen. “Ik ben net gebeld door een plaatsvervanger van Sjevardnadze (destijds minister van Buitenlandse Zaken - LS). Hij verzekerde me dat de ambassade in Parijs zojuist de opdracht had gekregen Andrej Sinjavski op te sporen en naar Moskou te sturen. Ik heb hem vriendelijk bedankt en gezegd dat ik de boodschap aan Sinjavski door zou geven”. De hele kamer bulderde van het lachen, Sinjavski het hardst van iedereen.