Ook de dader heeft drie gezichten

Frans, de 18-jarige moordenaar uit de documentaire-serie van de NCRV TBS: het voordeel van de twijfel, weet al ongeveer wat de buitenwereld van hem verlangt. “Ik wil het niet afschuiven door te zeggen dat ik een slechte jeugd heb gehad”, zei hij.

Dat is namelijk een modern taboe: zeggen dat je een slechte jeugd hebt gehad. De dader moet zijn verantwoordelijkheid aanvaarden. Maar áls je nu eens een slechte jeugd hebt gehad, zoals de meeste daders? Dan is de verleiding wel erg groot om er toch iets over te zeggen, te meer omdat die behandelaars in de tbs-kliniek er steevast over beginnen.

En dus kon ook Frans er op den duur niet omheen. “Hoe ben ik ertoe gekomen?” vroeg hij zich af. “Doordat ik me in mijn jeugd niet heb kunnen uiten.” Waarna het verhaal volgde van zwakbegaafde ouders, de opvoeding door een instabiele moeder en een mishandelende stiefvader, de pesterijen op school.

“Je zocht steeds ouders die aardig voor je waren”, zei zijn therapeute. Frans zocht tevergeefs, zoals de meeste kinderen in zijn situatie. Toen hij zeventien was, kreeg hij een meisje - eindelijk iemand die om hem gaf. Een vriend dreigde haar van hem af te pakken, en daarom sloeg hij hem de hersens in.

Netwerk had vorige week een reportage over een Rotterdamse kinderrechter, mevrouw De Pauw Gerlings. Die toonde zich verontrust over het groeiende aantal zware geweldsdelicten door jongeren. Later zag ik de rechtbankrol van de dag waarop die reportage gemaakt was. Drie jongens van 18, 19 en 21 jaar hadden drie berovingen gepleegd, waaronder een onder bedreiging van een soldeerbout: “Ik ga je brandmerken!” Twee andere jongens van 19 jaar hadden een man met een plastic zak over zijn hoofd vermoord, zijn spullen meegenomen en geprobeerd zijn woning te laten ontploffen.

De daders waren vaak allochtone jongens, constateerde mevrouw De Pauw Gerlings, en wat haar vooral opviel was het gebrek aan oprechte spijtgevoelens. Daaraan leek het ook Frans in de NCRV-documentaire te ontbreken. Ik heb dat nooit zo verbazingwekkend gevonden: niemand heeft die jongens ooit, om met Louis Paul Boon te spreken, 'een geweten geschopt'. Eerder gebeurde het tegenovergestelde: ze werden zó geschopt dat ze het wel afleerden om er een geweten op na te houden.

Hoe moeten de behandelaars zich tegenover deze daders opstellen? Daarover geven de NCRV-documentaires tot dusver weinig uitsluitsel. We krijgen veel flarden uit behandelingssessies te zien en ook zijn er impressies van groepsbesprekingen door therapeuten. Maar nergens wordt duidelijk vanuit welke uitgangspunten en criteria gewerkt wordt. Een cruciale vraag is bijvoorbeeld: wanneer wordt iemand als voldoende 'genezen' beschouwd om de maatschappij weer in te kunnen? Zijn er eisen geformuleerd waaraan hij dan moet voldoen?

Als kijker naar die sessies vraag je je ook regelmatig af hoe groot het risico is, dat de dader zich steeds meer gaat toeleggen op sociaal wenselijke antwoorden. Jij vraagt, ik antwoord - het kan niet schelen wat, als jij het maar graag wil horen. Een therapeut schetste dat risico vorige week - in de aflevering over de pyromaan - impliciet: “Hoofdpunt van zijn agenda is: hoe kom ik hier zo snel mogelijk vandaan? Dat is de motor.”

Er zijn veel valkuilen in het contact tussen therapeut en dader en één ervan is ongetwijfeld het therapeutische jargon. “Geef me nou eens een voorbeeld van een narcistisch gekleurd zelfbeeld”, hoorden we de pyromaan vragen aan zijn behandelaar. Reken maar dat die jongen de volgende keer precies weet wat hij zijn behandelaar moet laten rapporteren.

“Ik vind het heel moeilijk te snappen bij je”, zei de behandelaar.

“Je bent niet de eerste die dat zegt”, zei de pyromaan.

Misschien houden de psychotherapeutische theorieën er te weinig rekening mee dat er altijd een geheim zal blijven. De filmregisseur Sam Fuller hoorde ik dat gisteren in Het uur van de wolf mooi verwoorden. “Iedereen heeft drie gezichten”, zei hij, “het derde is het grote geheim.”