Kinderkamer

Een grappig verhaal stond zaterdag in de computerrubriek van Francisco van Jole in de Volkskrant. Het ging over de computers die de Tweede Kamer vorig jaar had aangeschaft. Computers van het soort waar ik dit stukje op tik. Door de ware liefhebber worden ze als hopeloos verouderd beschouwd en in gewone winkels zijn ze niet meer te koop. Je zou naar pc-dumpdagen moeten gaan, waar oud spul per kilo wordt verkocht.

Hoeveel zo'n computer daar kost weet ik niet. Duizend gulden per stuk lijkt me een hoge schatting. De Tweede Kamer had een handelaartje gevonden dat ze voor zevenduizend leverde, meer dan twee keer zo duur als de nieuwe computers die veel beter zijn.

Van Jole maakte het voorbehoud dat hij op zijn geheugen afging. “Helaas kan ik het niet napluizen“ schreef hij. Het verslag van de vergadering van de Kamer is inmiddels van het Internet verdwenen en aan papieren informatiebronnen doet Van Jole niet. Hij wil alle schoolboeken afschaffen, wat me een slecht idee lijkt, maar daar gaat het nu niet om. Ik heb zelf weer andere redenen om zijn verhaal niet na te pluizen. De oude journalistieke wet die zegt dat je een mooi verhaal niet kapot mag checken.

Het klinkt geloofwaardig, zullen we maar zeggen. In deze krant heeft Rik Smits een stuk geschreven over de computerbeveiliging bij Justitie en ook daaruit bleek dat de overheid ieder gezond verstand verloor als er een computer in zicht kwam.

Het Kamerlid dat nationale bekendheid kreeg doordat zij dacht dat Willem van Oranje bij Dokkum vermoord was, wees ons een tijdje geleden de weg naar de elektronische toekomst met een boek dat Doodgewoon Digitaal heette. Ze zei in een interview dat ze zelf knopangst had en, hoewel nog geen dertig jaar, te oud was om die af te leren. Ze sprak over een e-mailtje uit Canada met de lyrische verbazing over het wonder van de techniek die deed denken aan het begin van het telefoontijdperk. (“Hallo Enschede, hoort u mij? Jazeker Amsterdam, hoort u mij ook? Luid en duidelijk, over en sluiten dan maar.“) Ze opperde dat gewone verkiezingen in de toekomst misschien overbodig zouden zijn als de Tweede Kamer een e-mail-adres had. Ook bij haar was ieder kostenbesef verdwenen als het om computers ging. Het dak van de school lekt, de klassen puilen uit, in het natuurkundelokaal staan defecte apparaten ongebruikt, maar alleen de nieuwste generatie computers, hoewel over een jaar alweer verouderd, is goed genoeg voor de schooljeugd.

Makkelijk om je vrolijk te maken over onnozele omgang met computers. Ik zal de eerste steen niet werpen, want ik weet hoe onnozel ik zelf ben. Een rationele afweging van kosten en baten leert me dat de computer me meer ellende dan plezier heeft gebracht. Ik heb in mijn leven twee schrijfmachines gehad en drie computers. De computers kosten samen twintig keer zoveel als de schrijfmachines. Ze kosten ook veel tijd, want er is voortdurend iets mis mee. Er staat iets tegenover. Je krijgt een handig archief dat niet veel plaats inneemt. De partijen van belangrijke schaaktoernooien krijg ik een paar dagen eerder te zien dan vroeger, toen ik op een papieren weekblad moest wachten. Een tijdlang vond ik het leuk om via het Internet vluggertjes te schaken, maar dat is alweer voorbij. Al met al is de opbrengst gering. Het heeft geen zin om er over te piekeren, want er is geen keus, je moet meedoen. Iemand als Reve kan het zich permitteren om handgeschreven teksten in te leveren, maar ik niet.

De rede leert mij om de computer als een vijand te beschouwen die ik niet kan missen, maar hij is een vriend, verraderlijker dan drank en tabak. De uren die je verknoeit op het Internet. Ik weet dat er voor mij niets te halen is, maar ik klik verveeld op nieuwe adressen, als een duif in een psychologisch experiment die lang geleden een graankorreltje gevonden heeft en blijft hopen op meer. Ik ga de nieuwsgroepen af om de nieuwste leuterpraatjes te lezen. Ik doe het omdat ik me verveel, maar nu verveel ik me nog erger. Wat dat betreft werkt het als iedere verslaving. Wie suf is steekt een sigaret op die hem vervolgens nog suffer maakt.

Ik rationaliseer mijn meligheid en probeer de tijdverspilling als een vorm van meditatie te zien. Ik heb een schaakcomputer die op het Internet gratis verkrijgbaar was. In partijtjes met vijf minuten bedenktijd is hij ongeveer even sterk als ik. Ik weet dat mijn kansen beter zijn als ik niet nadenk, als de zetten uit het ruggemerg komen. Tegen menselijke tegenstanders is het anders, daar moet je juist alert zijn op kansen om plotseling toe te slaan. Tegen de computer moet je alles wat op een kans lijkt voorbij laten gaan. De winst moet vanzelf komen, als je er naar zoekt komt hij niet.

Ik probeer mijn brein leeg te maken. Niets willen, alleen handelen. Ik stel me voor dat ik een beginnende Zen-leerling ben. Het werkt tegen de schaakcomputer, niet altijd, maar vaak wel. In ieder geval vaker dan wanneer ik wel nadenk. Ik heb ook een flipperautomaat in de computer. Daarvoor geldt ongeveer het zelfde als voor de schaakcomputer.

Oefeningen in onthechting. Totale infantilisering zou je het ook kunnen noemen. Ik weet dat ik niet de enige ben. In miljoenen Nederlandse huiskamers worden harten gejaagd, mijnen geveegd en patiencekaarten gelegd, de spelletjes die in het standaardpakket zitten dat bij bijna alle computers geleverd wordt.

Ik probeer de onthechting te generaliseren en niet alleen bij computerspelletjes het brein leeg te maken, maar ook in het gewone leven. Niets willen, spontaan handelen, alles wat goed is komt vanzelf. Dat lukt nog niet erg, ik heb te lang in het oude tijdperk geleefd toen er nog geen computers waren. De nieuwe mens, vriendelijk en willoos, zal op de scholen gevormd worden, ik ben te laat.