Inflatie volgende inzet in EMU-strijd

ROTTERDAM, 25 FEBR. Volgende week staan de Europese begrotingstekorten over 1997 als beslissende factor voor de toetreding tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) even wat minder in de belangstelling. Dan publiceert Eurostat, het statistische bureau van de Europese Unie, een reeks cijfers die een even belangrijke rol kunnen gaan spelen bij het besluit welke lidstaten wel en welke zich niet kwalificeren voor de muntunie.

Voor een succesvolle muntunie is financiële en economische eenvormigheid van de deelnemende landen van groot belang. Die eenvormigheid wordt niet alleen afgemeten aan de staatshuishouding van de deelnemers, zoals het begrotingstekort en de staatsschuld, maar ook aan prijsstabiliteit. In het Verdrag van Maastricht is de hoogte van de inflatie neergelegd in een criterium waaraan de aspirant-leden van de EMU moeten voldoen.

Dat inflatiecriterium verschilt wezenlijk van de criteria voor tekort en schuld. Voor die twee laatstgenoemde is een absoluut cijfer vastgesteld: een maximum tekort van 3 procent en een maximum schuld van 60 procent van het bruto binnenlands produkt.

Anders dan bij tekort en schuld, is voor inflatie geen absoluut maximum gegeven. Een lidstaat kwalificeert zich als hij volgend jaar een inflatie heeft die niet hoger is dan het gemiddelde van ten hoogste de drie lidstaten met de laagste inflatie.

De inflatie-formulering lijkt, vergeleken met de vaagheid en uitzonderingsmogelijkheden van de criteria voor tekort en schuld, glashelder. Maar dat is zij niet. Allereerst is er de definitie van wat in de verschillende landen onder inflatie wordt verstaan. De nationale telling van de inflatie is overal anders. Dat probleem moest hoe dan ook al worden opgelost: wil de Europese Centrale Bank, die straks voor de gehele muntunie het monetaire beleid gaat voeren, een overzicht hebben over de prijsstabiliteit in het gehele muntunie-gebied, dan moet zij over eenduidige inflatiecijfers kunnen beschikken, van Finland tot Portugal.

Eurostat begon twee jaar geleden met de publicatie van interim-indices voor de consumentenprijzen (IICP's). Volgende week komt het bureau met de uiteindelijke, geharmoniseerde indices (HICP's). Ideaal zijn die nog lang niet. De statistici hebben een vergelijking gecreëerd op basis van de grootste gemene deler. Prijstellingen die per land qua methodiek of nationale karakteristieken grote onderlinge verschillen laten zien, zijn voor een groot deel weggelaten. Analist E. van der Gulik van JP Morgan schat dat slechts 70 procent van de consumentenprijzen in de EU door de HICP's zullen zijn gedekt. Belangrijke zaken, zoals de woonlasten voor eigenaar-bewoners, ziektekosten of onderwijs zijn in de IICP's weggelaten. Voor landen waar de prijzen van tabak en alcohol uit de nationale inflatietelling waren geschrapt, zijn die juist weer toegevoegd. De HICP's zullen daar, zo is de verwachting, volgende week nog niet veel aan veranderen. De discussie binnen Eurostat is dan ook niet afgesloten met de publicatie van de geharmoniseerde cijfers volgende week. Volgens Van der Gulik heeft het bureau zich tot 1999 de tijd gegund om de cijfers te vervolmaken.

Het gevolg van de uniforme telling is dat de 'Euro-inflatie' aanzienlijk kan verschillen van het nationale cijfer. De Nederlandse inflatie valt volgens de interim-berekeningen 0,6 procent lager uit: gemiddeld geen 2,1 procent over 1996, maar 1,5 procent. Het Verenigd Koninkrijk en Finland komen er juist een half procent slechter van af.

Kunnen die nieuwe gegevens een rol gaan spelen buiten het kader van de besluitvorming over de EMU? Formeel, zo onderstreept Van der Gulik, is dat niet toegestaan. Dat is vastgelegd in een besluit van de Europese ministerraad. P. van Rintel van de werkgeversorganisatie VNO-NCW, die in principe baat heeft bij een lagere inflatie als inzet voor loononderhandelingen, denkt niet dat de geharmoniseerde inflatiecijfers een rol gaan spelen. “We proberen prijscompensatie als inzet zoveel mogelijk te weren. Het gaat veel meer over de winstgevendheid van bedrijven en de arbeidsproduktiviteit.” Het kan niemand echter worden verboden om de nieuwe inflatietelling mee te nemen in het afwegen van verschillen tussen de Europese landen. Het inflatieverschil tussen Nederland en Duitsland is 0,6 procent in Nederlands nadeel. Volgens de geharmoniseerde cijfers is het verschil echter maar 0,2 procent. Volgens analist N. Klene van ABN Amro kan dat bijvoorbeeld een gunstige invloed hebben op de koersverhouding tussen Nederlandse en Duitse obligaties

Waar de HICP's wel een belangrijke rol zullen spelen is het op het podium waarvoor ze zijn gecreëerd. Begin volgend jaar beslist de Europese Raad welke lidstaten mee mogen doen aan de EMU in 1997. Niet alleen de definitie van inflatie zelf, maar ook de formulering van het inflatiecriterium in het Verdrag laat bij nadere inspectie veel ruimte voor interpretatie.

Maximum anderhalf procent boven het gemiddelde van ten hoogste de drie lidstaten met de laagste inflatie, zoals het criterium luidt, kan op verschillende manieren worden uitgelegd. Zijn het nu een, twee of drie landen, waarvan de inflatie samen gemiddeld de bodem vormt waarbij die anderhalf procent moet worden opgeteld? En om welk gemiddelde gaat het? Een gewoon gemiddelde, of een naar economische omvang van de landen gewogen gemiddelde? En wordt het het laatstbekende inflatiecijfer, bijvoorbeeld dat over februari 1998, het ultimocijfer van 1997 of het gemiddelde van dat jaar? De effectenbank Goldman Sachs destilleerde zes verschillende berekeningswijzen. De berekende referentiewaarde voor het inflatiecriterium liep daarbij uiteen van 2,4 procent tot 2,8 procent over 1996. JP Morgan hanteert, op basis van de anderhalf procent boven het gewone gemiddelde over 12 maanden van de drie laagste lidstaten die de Europese Commissie tot nu toe zelf lijkt te prefereren, een referentiewaarde van 2,67 procent. Op basis daarvan zouden Spanje, Portugal, Italië, Groot-Brittannië en Griekenland zich vorig jaar niet hebben gekwalificeerd.

Alles is nog mogelijk bij het inflatiecriterium. De definitie van inflatie kan nog worden bijgesteld, en een interpretatie van de formulering van het criterium in 'Maastricht' ligt nog open. Omdat toetreding tot de EMU voor met name landen als Spanje en Portugal - en misschien ook Ierland - zal hangen om tienden van procentpunten inflatie, kan in Europa nog een harde politieke strijd losbarsten over het inflatiecriterium van Maastricht.