Groninger Museum bewijst kunst slechte dienst

De wijze waarop het Groninger Museum de aandacht vestigde op een met foto's van de Amerikaanse kunstenaar Andres Serrano deugt niet, aldus Pieter Kottman. Met het omstreden plasseks-affiche breekt het museum helemaal geen lans voor de kunst, het maakt misbruik van de vrijheid die het heeft.

In het tumult rondom het zogenaamde 'plasseks'-affiche dat het Groninger Museum ter promotie van een tentoonstelling van de Amerikaanse fotograaf Andres Serrano had willen verspreiden, heeft de museumdirectie zich een meester in opportunisme betoond. Nu de affaire met een sisser is afgelopen, zou men zelfs kunnen vermoeden, dat het museum helemaal nooit van plan is geweest de posters daadwerkelijk te verspreiden: het is mogelijk om het hele voorspelbare gedoe in de media dat de nieuwsgierigheid van het publiek als geen ander middel kan prikkelen - de bezoekcijfers van het afgelopen weekeinde schijnen alle records gebroken te hebben - te bezien als het resultaat van briljante marketing.

Maar, anders dan de museum-medewerkers wellicht denken, de kunst is met dit succes nauwelijks gediend.

Negentien kerken, scholen en andere maatschappelijke organisaties in Groningen, met het Gereformeerd Politiek Verbond voorop, spanden een kort geding aan tegen de voorgenomen verspreiding van het affiche. (Hoe zij daar lucht van kregen, is overigens nog onopgehelderd: het museum heeft de gewoonte affiches pas een dag voor de opening van een tentoonstelling - in dit geval afgelopen zaterdag - te laten opplakken.) Het geding diende afgelopen vrijdag maar het museum zelf had al besloten het affiche niet te verspreiden, in Groningen en elders, en dus kon de rechter weinig anders dan de vordering afwijzen. Een tweede eis - het verbod op verspreiding in Amsterdam en Rotterdam - wees de rechter af, omdat de eisers volgens hem niet namens de bevolking in andere steden konden spreken.

In justitieel opzicht is nu slechts duidelijk geworden dat het openbaar ministerie in Groningen en Amsterdam voornemens was op te treden tegen de verspreiding van de affiches. Dat is jammer, hoe griezelig met het oog op (zelf)censuur een rechterlijke uitspraak op het grijze gebied van de 'aanstotelijkheid voor de eerbaarheid' ook kan zijn.

Maar de kwestie was in dit geval duidelijk genoeg, temeer daar het denken over het juridische begrip 'aanstotelijk voor de eerbaarheid' is opgeschoven in de richting van het zogenaamde 'confrontatieverbod', dat een inhoudelijk oordeel van de rechter minder relevant maakt. Hij beoordeelt tegenwoordig vooral of er sprake is van 'ongewilde confrontatie' en zal zijn vonnis van het antwoord op die vraag laten afhangen.

De affiche van Serrano's foto, waarop een deels naakte vrouw in de mond van een man urineert, is een beeld waarmee, naar men veronderstellen kan, substantiële gedeelten van de bevolking niet ongevraagd geconfronteerd willen worden. Voor de televisie, een krant of een tijdschrift (die men kan uitzetten of wegleggen en die bovendien een signatuur bezitten) ligt dat weer anders dan voor de openbare ruimte.

Zonder het eens te zijn met de argumentatie van het GPV kan men stellen dat het goed is daar een zekere neutraliteit te bewaken, opdat iedereen zich er min of meer thuis voelt. Daarom zijn we het er op de een of andere manier over eens dat een bushalte een minder geschikte plaats is om te copuleren. Een verscholen duinpan, hoewel ook openbaar, is voor die activiteit alweer een stuk acceptabeler.

Wie stelt, zoals ik ergens las, dat het eventuele (door omstandigheden overbodig geworden) verbod van het Serrano-affiche een blijk was geweest van herlevend puritanisme, maakt een denkfout. Hoewel zich ongetwijfeld een hoop mensen zullen ergeren aan het beleid van het Groninger Museum, heeft niemand bezwaar gemaakt tegen de tentoonstelling zelf. Anders dan in de Verenigde Staten, waar de expositie van werk van de fotograaf Robert Mapplethorpe kan uitgroeien tot een conservatieve coup tegen het subsidiebeleid van de overheid, respecteert hier iedereen het museum als een vrijplaats, waar ook controversiële kunst getoond mag worden. Dat nu is een verworvenheid en een kwestie van beschaving.

Daarom is de handel en wandel van het Groninger Museum in de Serrano-kwestie zo teleurstellend. Het museum breekt helemaal geen lans voor de kunst, zoals het zelf schijnt te denken, maar het maakt misbruik van de vrijheid die het heeft. Dat is des te laakbaarder omdat de directie, werkzaam in de kunst, heel goed kan weten hoe kwetsbaar die vrijheid is. Door in de publiciteitscampagne willen en wetens aan te sturen op confrontatie, louter en alleen om maximale aandacht voor het produkt te garanderen, verlaagt het museum zichzelf tot het niveau van de eetketen New York Pizza, die op posters naakte vrouwen met een pizzadoos voor hun kruis laat beloven dat deze firma op bestelling de “lekkerste dozen” bij u thuis aflevert.

Voor de rechter zou een vrouw die de moeite neemt, met recht en reden kunnen stellen zich door dit affiche aangetast te voelen in haar eer. Maar ook zonder juridische scherpslijperij begrijpen we dat de campagne geen voorbeeld is van goede smaak. Ook het Groninger Museum getuigt van slechte smaak. Of men zich nu opwindt over het Serrano-affiche of er onverschillig onder blijft of zelf liefhebber is van plasseks: het is in strijd met de neutraliteit van de openbare ruimte.

Het museum maakt misbruik van zijn vrijheid, maar het ergerlijkste is dat het misbruik maakt van de status van de kunst. Iedereen weet, dat de discussie over de vraag of iets kunst is of niet, een onmogelijke is. Door de boel op scherp te stellen geeft het museum aan die discussie toch te willen voeren, niet met het nobele en prijzenswaardige doel grensverleggende of controversiële kunst te kunnen tonen - want dat kan het - maar met het oog op ordinaire aandacht en bezoekcijfers. Terwijl - of juister misschien: omdat - de samenleving die kunst accepteert of althans de Serrano-tentoonstelling niet tracht te verhinderen, houdt het museum een van de meest aanstootgevende platen buiten de eigen muren voor ieders neus, in de hoop dat er toch nog een paar mensen beginnen te schreeuwen.

Dat zij de kunst die zij toont kennelijk zo vies vindt, dat zij er een welkome rel in ziet, zegt iets over de kleinburgerlijkheid van de museumdirectie zelf, zoals overigens ook de keuze voor een seksueel onderwerp dat doet. Omdat een woordvoerder geklaagd heeft dat het affiche meer aandacht dreigt te krijgen dan de expositie zelf, maakt het museum zich ook nog schuldig aan hypocrisie. En ten slotte toont een museum dat kunst verlaagt tot een middel om maximale aandacht te genereren, weinig respect voor de eigen bestaansreden.