Europese koerswijziging in Qatar is veelbelovend

Zijn vooruitzichten zijn nog even onzeker als een jaar geleden, zoals de gevaren die zijn leven bedreigen sinds de verschijning van zijn Duivelsverzen nog even luguber zijn. De tirade die de Britse schrijver Salman Rushdie vorige week, op de achtste verjaardag van zijn fatwa, over het internationale terrorisme van Iran afstak, was dan ook onverminderd kritisch aan het adres van de Europese Unie, die naar zijn mening het afgelopen jaar geen hand heeft uitgestoken voor het lot van door fundamentalistische regimes vervolgde schrijvers en “slechts lippendienst heeft bewezen aan de bescherming van de idealen van de Europese beschaving”.

De grieven die Salman Rushdie tegen het politieke Europa koestert, hebben vooral betrekking op de krachteloze diplomatieke interventies van de afgelopen twee jaar, die zijn lot in geen enkel opzicht hebben verlicht. Rushdies gedwongen onzichtbaarheid duurt nu al acht jaar en nog steeds is hij tot een ondergronds bestaan veroordeeld en kan hij zich nergens vrij op straat vertonen zolang het zwaard van de Iraanse vergelding boven zijn hoofd hangt. Het is hem daarom nauwelijks kwalijk te nemen dat hij in een aantal internationale kranten heftig van leer is getrokken tegen de laksheid van de Europese diplomatie, die weliswaar meer dan eens het Iraanse dreigement om Rushdie in zijn eigen land ter dood te brengen heeft veroordeeld, maar haar woorden nooit in daden heeft omgezet.

Rushdie mag misschien niet de meest tactvolle behartiger van zijn eigen belangen zijn (een woordvoerder die potentiële bondgenoten niet regelmatig voor het hoofd stoot zou waarschijnlijk meer bereikt hebben), maar hij heeft ook gegronde redenen voor wantrouwen. Meer dan één diplomaat heeft hem toevertrouwd dat de Europese Unie wel op het aambeeld van de rechten van de mens kan hameren, maar gezien haar handelsbelangen tegenover Iran niets te dwingen heeft.

In The Guardian schreef Rushdie op 14 februari, dat hij de Duitse minister van Buitenlandse Zaken schouderophalend had horen zeggen dat de bereidheid van de Europese Unie om zich voor de rechten van de mens in te zetten “niet onbegrensd” was. En van de Belgische minister van Buitenlandse Zaken had hij gehoord dat de Europese Unie nauwkeurig op de hoogte is van de activiteiten van Iraanse terroristische organisaties op Europees grondgebied, maar er nog niets tegen heeft ondernomen (opnieuw: “een vermoeide glimlach en een schouder ophalen”).

Het Italiaanse ministerie van Buitenlandse Zaken had niet eens de moeite genomen de brieven die hij over het Iraanse terrorisme had geschreven voor ontvangst te bevestigen, laat staan te beantwoorden. Tijdens het Ierse voorzitterschap van de Europese Unie had minister Dick Spring hem de verzekering gegeven dat Ierland de kwestie-Rushdie op de Europese top in Dublin aanhangig zou maken, maar uiteindelijk had Ierland niets van zich laten horen.

“Het nieuwe Europa”, schreef Salman Rushdie op de achtste verjaardag van zijn existentiële isolement, “heeft op mij nog niet de indruk van een beschaving gemaakt, eerder van een cynische onderneming, die het in de eerste plaats om het bevorderen van handelsbelangen te doen is.” De houding van Nederland was volgens Rushdie geen grein beter dan die van de andere Europese landen. In Den Haag had hij ambtenaren van Buitenlandse Zaken moeten uitleggen “waarom het geen goed idee voor de Europese Unie was om de geldigheid van de fatwa op religieuze gronden te aanvaarden.”

Maar Rushdie had in Den Haag kennelijk niet de belangrijkste figuren gesproken, in elk geval niet de ambtenaren die wisten dat er onder het Nederlandse voorzitterschap een koerswijziging op til was. Op de dag dat Rushdies aanklacht tegen de onverschilligheid van de Europese politiek werd gepubliceerd, was de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Van Mierlo, met een pro-Rushdie-verklaring op zak namelijk juist op weg naar een overleg met de ministers van Buitenlandse Zaken van de Golfstaten in Qatar.

In zijn hoedanigheid van EU-voorzitter bracht hij daar een initiatief ter tafel dat niet minder dan een doorbraak betekende in de tot dusver gevoerde stille diplomatie. De Nederlandse minister nam namens de Europese Unie het standpunt in, dat Iran het tegen Salman Rushdie uitgesproken doodvonnis moet herroepen. Van Mierlo veroordeelde de banvloek die de Iraanse theocratie in 1989 over het literaire werk van Rushdie (en daarmee over de Westerse grondwettelijke vrijheid van mening) heeft uitgesproken, in ondubbelzinnige termen. “Ik wil dit niet meer beschouwen als een verschil in cultuur. Het gaat hier om beschaving”, zei hij na afloop in een toelichting. Van Mierlo sprak niet alleen ferme taal, hij boekte ook nog resultaat: hij produceerde een gemeenschappelijk communiqué, waarin de Europese Unie en de Golfstaten gezamenlijk verklaarden dat het geen land is toegestaan “om strafvonnissen uit te voeren buiten het eigen gebied”.

Van Mierlo's duidelijke taal logenstrafte van a tot z de kritiek die Rushdie en het Rushdie Defence Committee Nederland kort tevoren op het “versjacheren van de rechten van de mens” hadden geuit. Of zijn publieke diplomatie de druk op Teheran daadwerkelijk verhoogt, zal nog moeten blijken, maar zij kan een ander nuttig effect hebben: zij verhoogt in elk geval de druk op de regeringen van de Europese Unie. Die kunnen het na deze krachtige verklaring in Qatar niet meer bij woorden laten; als ze dat zelf al niet zullen bedenken, zullen ze zeker door hun eigen publieke opinie daaraan herinnerd worden.

Het verdient hartgrondige instemming dat Van Mierlo in Qatar de principiële verdediging van de vrijheid van meningsuiting boven alle andere belangen gesteld heeft. Zijn interventie (die als een persoonlijk besluit om het voor de Britse schrijver op te nemen zeker internationale aandacht verdient) bepaalt ons weer eens bij de cruciale betekenis die de grondwet voor ieders politieke vrijheid heeft. Zolang het ons goed gaat, beschouwen we de rechten die de grondwet ons verzekert als vanzelfsprekende verworvenheden. Maar zodra het misloopt, komt het aan op een regering die ze beginselvast tegen bedreiging van binnen of van buiten beschermt.