Energiesector klem door winstbelasting

ROTTERDAM, 25 FEBR. Als de energiebedrijven per 1 januari 1998 vennootschapsbelasting moeten gaan betalen is een “zachte landing” nodig. Anders verslechtert de vermogenspositie van deze bedrijven zodanig dat ze de energietarieven, ook voor de kleinverbruikers, moeten verhogen.

Dat zegt drs. Ben van Gils, belastingadviseur binnen de Sectorgroep Energie van accountantskantoor Moret Ernst & Young. Volgens een rapport dat Moret Ernst & Young in opdracht van het ministerie van Economische Zaken heeft gemaakt, hebben de energiebedrijven (produktie van elektriciteit en distributie van elektriciteit, aardgas en drinkwater) over het algemeen een lage solvabiliteit (verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen). De energiebedrijven moesten in het verleden een aanzienlijk deel van hun winst afstaan aan de eigenaren: gemeenten en provincies. Voor een aantal bedrijven geldt dat nog steeds. Ook werd vermogensvorming belemmerd door het overheidsbeleid om de energietarieven te matigen. Bovendien eisten gemeenten bij fusies tot regionale energiebedrijven vaak aanzienlijke afkoopsommen.

Sinds 1956 zijn alle energiebedrijven die met de overheid waren verbonden, vrijgesteld van vennootschapsbelasting vanwege het algemene belang van hun nutsfunctie. Dat verandert per 1 januari 1998, als gevolg van de introductie van meer marktwerking en concurrentie in de energiesector.

Moret Ernst & Young onderschrijft het uitgangspunt van de overheid dat de energiebedrijven, die door de liberalisering van de Europese energiemarkt onafhankelijker van de overheid gaan werken, winstbelasting over al hun activiteiten moeten gaan betalen. Wanneer bepaalde activiteiten daarvan worden uitgezonderd, leidt dat tot ongelijke mededingingsvoorwaarden en concurrentievervalsing. Wel zijn er speciale maatregelen nodig om te voorkomen dat de winsten in de sector door de nieuwe belastingheffing “aanmerkelijk” dalen, zegt Ben van Gils. “Door lagere resultaten komen verplichte winstuitkeringen aan aandeelhouders, zoals gemeenten en provincies, in gevaar. Ook leiden ze tot verdere verslechtering van het eigen vermogen en de kans op vermindering van investeringen.”

Van Gils pleit ervoor om de energiebedrijven wat betreft de vennootschapsbelasting net zo te behandelen als normale commerciële bedrijven. Dat betekent dat ook energiebedrijven afschrijvingen op goodwill in mindering van de belastbare winst mogen brengen. In de energiesector vonden de afgelopen jaren veel fusies en overnames plaats, waarbij regelmatig voor goodwill is betaald. Ook hebben de bedrijven zelf goodwill opgebouwd, onder andere door nieuwe leveringscontracten.

Een andere mogelijkheid is dat het tarief van de vennootschapsbelasting stapsgewijs naar het normale niveau van 35 procent wordt opgevoerd, aldus Van Gils. “Nadeel daarvan is de ingewikkelde controle, want een tarief dat telkens een stapje hoger wordt is een uitnodiging voor bedrijven om telkens met winstonderdelen een jaartje te schuiven.”

Aftrek van goodwill heeft Van Gils' voorkeur, maar dat zou een wetswijziging vergen. Bij privatiseringen in het verleden is herhaaldelijk een wettelijk verbod tot fiscale activering van goodwill opgenomen. Ook de onlangs van kracht geworden Wet Energiedistributie kent zo'n verbod. Opheffing daarvan zou leiden tot een aanzienlijke vermindering van de belastinginkomsten voor de overheid. Handhaving van het verbod betekent volgens Van Gils dat de de effectieve belastingdruk voor energiebedrijven hoger is dan voor andere bedrijven, omdat deze de winst (en dus de belasting) kunnen verlagen met behulp van afschrijvingen op goodwill.

In 1995 bedroegen de netto winsten van de circa 40 Nederlandse energie-distributiebedrijven samen 631 miljoen gulden en die van de vier stroomproduktiebedrijven samen 305 miljoen. De opbrengst van de vennootschapsbelasting op die winsten zou zo'n 270 miljoen gulden zijn geweest. Minister Wijers wil daarvan voor het jaar 2000 al 175 miljoen gulden gebruiken voor fiscale maatregelen om het energiebeleid te ondersteunen.

Net als bij commerciële ondernemingen mogen vaste winstuitkeringen (in dit geval aan gemeenten en provincies) niet van de belastbare winst worden afgetrokken. Wanneer geen speciale maatregelen (zoals het toestaan van aftrek van goodwill) worden getroffen, komen die winstuitkeringen in gevaar. De inkomsten van gemeenten en provincies kunnen daardoor verminderen. De Financiële verhoudingenwet en de Provinciewet bieden de lagere overheden de mogelijkheid om het Rijk voor die verminderde inkomsten compensatie te vragen.

Ben van Gils: “Er zal zeker druk komen van gemeenten en provincies om niet de dupe te worden van deze maatregel van het Rijk. Economische Zaken kan beter kiezen voor een structurele maatregel die de winsten van energiebedrijven niet al tezeer aantast. Dan haal je al die rompslomp niet aan.”

Het ministerie van Economische Zaken kon gisteren nog niet reageren op het rapport van Moret Ernst & Young. “We zijn in overleg met het ministerie van Financiën over maatregelen om de beperkte solvabiliteit van energiebedrijven te verbeteren”, aldus een woordvoerster.

EnergieNed, de vereniging van energie-distributiebedrijven, zegt bij monde van een woordvoerder: “Wij zijn niet tegen de plicht tot betaling van vennootschapsbelasting. Maar onze bedrijven zitten in een overgangssituatie naar de vrije energiemarkt en naar concurrentie.

In die periode hebben we vier doelstellingen die we niet met elkaar in evenwicht kunnen brengen als de belastingplicht volledig in één stap wordt ingevoerd: verbetering van de efficiëncy, op peil houden van dividenden, beheersing van de tarieven en verbetering van onze solvabiliteit. Daarom is een geleidelijke invoering van de vennootschapbelasting voor ons belangrijk, maar we sluiten de methodiek van aftrek van goodwill niet bij voorbaat uit. We zijn in gesprek met het ministerie van Economische Zaken.''