De geheime Spaarduiten van de bank; Wat niet weet; wat niet deert

Een geheim potje, om in slappe jaren de winstcijfers wat op te kunnen fleuren - dat zou elk bedrijf wel willen, maar is hen met recht en reden verboden. Zo niet de banken. Banken waren in Nederland zelfs verplicht een stille reserve aan te houden, een unicum binnen Europese verhoudingen. Na jaren van uitstel, en overgangsmaatregelen, is deze week het moment aangebroken dat de banken hun reserves openbaar zullen maken. Menno Tamminga analyseert de oude cultuur van geheimhouding. En Karel Berkhout beschrijft wat de gevolgen zullen zijn van de nieuwe openheid.

Als het internationale bankwezen vergaat, ga dan naar Nederland, daar gebeurt alles tien jaar later. Op 20 mei 1987 kondigde Citibank, de grootste bank in de Verenigde Staten, een ongehoord verlies van 2,5 miljard dollar in het eerste kwartaal aan. De bank schreef in een klap een groot deel van haar leningen aan Zuidamerikaanse schuldenlanden af.

Tot dan toe dacht de financiële goegemeente dat een grote bank geen verlies mocht maken. Rode cijfers werken bij spaarders als een rode lap op een stier, zo was de communis opinio. Wie verlies meldt kan zijn bank wel sluiten: spaarders verliezen het vertrouwen in de banken en halen massaal het geld van hun rekeningen. Zulk wantrouwen in het financiële bestel is maatschappelijk onacceptabel: het zou de economie totaal ontwrichten.

Toen Citibank haar mammoetverlies meldde, bleef het rustig op straat. De run op de bank bleef uit. Beleggers beloonden haar moed juist met een hogere aandelenkoers. Toen twee jaar later ook enkele grote Britse banken hun leningen aan schuldenlanden afwaardeerden en majeure verliezen moesten incasseren, vormden zich in de Britse straten geen rijen spaarders voor de bankgiganten.

De Angelsaksische bankiers hadden (met geluk of wijsheid) de percepties onder het publiek juist aangevoeld. Een verliesgevende bank was niet langer reden voor massale paniek, mits duidelijk was waarom de verliezen waren ontstaan.

Voor de Nederlandse topbankiers hadden de voorbeelden in het buitenland een teken aan de wand kunnen zijn. In tegenstelling tot de openheid van vooral Amerikaanse banken, was (en tot op zekere hoogte:is) het Nederlandse bankwezen een gesloten bedrijfstak dat de zuinigheid met informatie aan klanten en aandeelhouders hoog in het vaandel heeft staan. Concurrentie is een relatief nieuw fenomeen in het bankwezen. Tot ver in de jaren tachtig deden de bankiers vele zaken aan de hand van een handig boekwerkje met onderling afgestemde minimumtarieven. Financiële analisten van banken, die een oordeel moesten geven over de beleggingsmerites van bedrijven, maakten voor banken een uitzondering. Op basis van een gentlemans agreement gaven de analisten geen adviezen over concurrenten.

De angst voor openheid was manifest in de stille reserves: de geheime financiële potjes die elke bank heeft om (grote) verliezen in de kredietverlening of fraudes op te vangen zonder dat de klanten er iets van merken. Zonder zulke stille reserves zou een bank in slechte tijden, als de stroppen hoger zijn dan de bedrijfswinst, wel eens noodgedwongen een verlies moeten laten zien. Dat banken stroppen hebben is al een pijnlijke erkenning, dat de stroppen het bedrijfsresultaat kunnen overstijgen, moest maar beter geheim blijven. Gevaarlijke financiële paniek zou het gevolg zijn en het vertrouwen ondermijnen van het publiek in de hele bedrijfstak, daarover waren de banken en de toezichthoudende Nederlandsche Bank het roerend eens. De Nederlandse wetgever steunde dat standpunt van harte en stond de banken toe hun aandeelhouders en hun klanten een rad voor ogen te draaien.

De omkering aller waarden die in 1987 bij Citibank was begonnen had in Nederland geen invloed. De traditioneel paternalistische visie bleef recht overeind: de bank wist het best wat goed was voor spaarders en aandeelhouders. Dat betekende: geen informatie over stille reserves en de werkelijke gang van zaken bij een bank.

Niet dat het publiceren van de stille reserves verboden is, zoals menig bankier denkt. Integendeel, de ASN Bank, een kleine aan de FNV gelieerde bank, geeft als enige al jaren informatie over haar stille reserves, zonder dat de bankvergunning is ingetrokken. De enige andere bank die informatie gaf was de toenmalige Credit Lyonnais Bank Nederland, die in 1986 onthulde dat de stroppenpot als gevolg van kredietverliezen en fraude leeg was.

Hoe algemeen de consensus in Nederland ook was, in Europa is Nederland (met Duitsland) een uitzondering. De meeste Europese landen kennen geen bankwezen met stille reserves. Druk lobbywerk in Brussel tegen uniforme regels waarin de geheime reserves werden verboden zorgde wel voor uitstel, maar niet voor afstel. De eerste die in 1992 zijn oppositie liet varen was het ministerie van Financiën. Daarna volgde de Nederlandsche Bank. En toen het front gebroken was gaven de banken zich in 1994 over.

De bankiers kregen even de tijd om zich aan te passen. Een overgangsperiode moest de zwakke broeders genoeg tijd geven om hun financiële potjes bij te vullen. Anders staat het zo kaal en armoedig, als de concurrentie meer financieel vet op de botten heeft.

De banken hebben van de vrees voor openheid gepoogd een deugd te maken. Het snel gegroeide belang van de Angelsaksische aandeelhouders die gedetailleerde informatie over het reilen en zeilen van bedrijven eisen, heeft de banken met de neus op de feiten gedrukt. Wie internationaal wil meespelen op de financiële markten moet opener zijn, zeker als beursnotering op de effectenbeurs van Wall Street het streven is, zoals bij ING.

Behendig pogen de banken nu hun achterstand om te zetten in voorsprong. Het nieuwe parool: de Nederlandse banken voldoen al aan de Europese regels voordat zij over twee jaar wettelijk verplicht zijn. U kunt trots op hen zijn.

    • Menno Tamminga