Criminologisch onderzoeker over antiracistisch beleid overheid: 'Etnische registratie is niet fout'

ROTTERDAM, 25 FEBR. Op het registreren van etnische afkomst bij criminaliteit staat ten onrechte een taboe. Dit staat in een studie over Criminaliteit en Etnische Minderheden van het wetenschappelijk onderzoeks- en documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie. Sommige etnische groepen zijn meer dan andere betrokken bij straatroof, diefstallen of zakkenrollerij. Door het antiracistisch beleid van de overheid om etniciteit niet te registreren gaat volgens het rapport “een belangrijke signaalwerking” verloren.

Volgens onderzoeker E. Leuw zijn over criminaliteit en etnische groepen slechts schaarse gegevens beschikbaar. Maar bestaand criminologische onderzoek wijst volgens hem eensluidend op de “ontegenzeglijk onevenredige criminaliteit” onder etnische minderheden. Allochtone jongeren begaan in Nederland anderhalf tot drie keer zoveel misdrijven als autochtone jongeren in vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden. Marokkaanse en Antilliaanse jongeren vormen duidelijk de meest problematische groepen. Turkse jongeren zorgen voor de minste criminaliteit en Surinaams creoolse jongeren zitten er tussenin.

Uit analyse van enkele onderzoeken die na 1990 zijn gedaan blijkt onder meer dat Turkse jongeren in vergelijking met andere allochtone jongeren minder vaak in de straatcriminaliteit terechtkomen. Reden daarvoor is dat de Turkse gemeenschap economisch relatief succesvol is. Dit succes is echter mede een gevolg van de georganiseerde handel in heroïne. Zowel de hechtheid als de geslotenheid van de Turkse gemeenschap zijn - gekoppeld aan sterke oriëntatie op het land van herkomst - een gunstige voorwaarde gebleken voor de ontwikkeling van een illegale drugseconomie. Ook in de legale economie zijn Turken succesvoller. Turkse gezinshoofden genieten in eigen kring respect en zijn daardoor beter in staat het gedrag van hun kinderen te reguleren. Dit in tegenstelling tot andere etnische groepen.

Leuw constateert verder dat de Marokkaanse groep in Nederland onderling sterk is verdeeld, dat er veel conflicten zijn tussen families en er weinig onderlinge solidariteit is. Bijkomende factor is de Berber-cultuur waaruit een groot deel van de Marokkanen in Nederland afkomstig is. Normoverschrijding wordt binnen deze cultuur, volgens onderzoekers, beoordeeld in termen van schaamte en het verlies van respect. Er zou weinig sprake zijn van schuldgevoel om de daad zelf, maar wel schaamte als de overtreding wordt gezien en bewezen.

Uit onderzoek blijkt volgens Leuw dat voor veel Marokkanen de Nederlandse samenleving vooral “een 'vreemd', niet-eigen en normatief minder relevant territoir” is. Marokkaanse ouders zouden zich daardoor weinig verantwoordelijk voelen voor wetsovertredingen van hun kinderen buiten de eigen sociale kring. Schending van normen binnen de Nederlandse 'buitenwereld' zou zowel door plegers als door opvoeders ook makkelijk geëxcuseerd of gerechtvaardigd worden. Deels vanuit “de innerlijke overtuiging dat moslims het enige ware geloof bezitten gaat een zekere minachting en soms zelfs vijandschap uit naar degenen die dit geloof niet aanhangen”, aldus een onderzoeker. Ook het 'zondige' en 'verderfelijke' karakter van de Westerse levensstijl worden als excuus aangewend. Volgens Leuw zal deze exclusieve oriëntatie op de eigen nationaal-religieuze identiteit, die weinig bevorderlijk is voor de integratie van Marokkanen, niet eenvoudig door wet- en regelgeving zijn te beïnvloeden.

De levensstijl van Surinaamse creolen en de Antilliaanse migranten uit de volksklasse zou zich kenmerken door “een vrolijk 'pluk de dag' en een schrijnend gebrek aan zelfvertrouwen om in de 'normale' samenleving ooit iets te kunnen bereiken”. Jongeren uit deze groepen zouden zich van de arbeidsmarkt uitsluiten door een combinatie van faalangst en fatalisme. Hun normafwijkende en soms criminele leefwijze ('hosselen') zou “mede zijn bepaald door de door uitkeringen verschafte bestaansbasis”.

Criminaliteit is volgens Leuw een belangrijk maatschappelijk signaal van falende integratie van bevolkingsgroepen. Hij stelt vast dat etniciteit niet wordt geregistreerd als kenmerk van daders of verdachten van criminaliteit. Nationaliteit wordt wel geregistreerd, maar dat gegeven is volgens Leuw minder relevant dan het behoren bij of gerekend worden tot een bepaalde bevolkingsgroep. Wanneer onderzoek beperkt blijft tot nationaliteit, zo waarschuwt de onderzoeker, zal dat leiden tot een sterke onderschatting “van het allochtone element” bij veelvoorkomende criminaliteit.

Leuw noemt onder meer “duidelijkheid in de bestraffing van sociaal onacceptabel gedrag zeer van belang” voor het beteugelen van etnische criminaliteit. Ook noemt Leuw het versterken en herstellen van sociale controle in achterstandsbuurten als mogelijke oplossing. Hij waarschuwt echter voor specifieke maatregelen gericht op preventie en repressie van criminaliteit onder etnische minderheden, omdat deze het gevaar met zich meedragen van stigmatisering.

Het onderzoek is gedaan in het kader van het project Criminaliteit en Integratie van Etnische minderheden (CRIEM) dat vorig jaar in opdracht van de ministers Sorgdrager (Justitie) en Dijkstal (Binnenlandse Zaken) werd opgezet.