Chinees leiderschap zal zeker voortbouwen op Dengs theorie

PEKING, 25 FEBR. Tot grote tevredenheid van de Chinese regering is met de crematie en de herdenking van Deng Xiaoping vandaag een 'succesvol' einde gekomen aan een eerste riskante periode. Politieke protesten of sociale onlusten zijn uitgebleven en de Chinese zakenwereld en de buitenlandse investeerders hebben geen spier vertrokken.

China lijkt het stabiele land te zijn geworden dat Deng negentien jaar geleden voor ogen stond toen hij de fundamenten legde voor een moderne natie. Helemaal rimpelloos is de toekomst echter niet. Er ligt een groot aantal problemen in het verschiet die de ogenschijnlijke stabiliteit kunnen verstoren.

Veruit het grootste probleem dat onopgelost is gebleven, is dat van China's noodlijdende staatssector. Peking, dat zijn legitimiteit grotendeels baseert op het behoud van de staatsbedrijven, heeft de afgelopen jaren met lede ogen toegezien hoe de crisis binnen die sector hand over hand is toegenomen. Zo leden de staatsbedrijven het afgelopen jaar een verlies van 15,9 miljard gulden, ruim 45 procent meer dan in het jaar ervoor. En 45 procent van China's 100.000 staatsbedrijven opereerde in de rode cijfers. De sociale gevolgen daarvan zijn desastreus; de staatssector is steeds minder in staat te voorzien in het sociale vangnet dat bepalend is geweest in de afgelopen vier decennia - een gegarandeerde baan, inkomen, behuizing, pensioen en medische hulp - en miljoenen mensen zijn op straat beland.

Het Chinese leiderschap heeft de afgelopen dagen terecht gewezen op het feit dat het negentien jaar geleden aanmerkelijk veel beroerder was gesteld met China's economie. De autoriteiten weten echter dat de Chinese jeugd, die inmiddels is grootgebracht met economische vrijheden en overvolle warenhuizen, zich dat niet realiseert. Zij weten ook de ouders van die kinderen proberen alle herinnering aan de rampzalige periode die aan het Deng-tijdperk voorafging, te verdringen. Maar zonder enige twijfel kan worden gesteld dat vrijwel niemand er door de economische hervormingen van Deng op achteruit is gegaan.

In 1978 ging China bijna bankroet. Na dertig jaar rigide staatsplanning, met name na de tien jaar chaos ten tijde van de Culturele Revolutie, bestond weinig aanleiding voor optimisme. Veel scholen waren gesloten, de bevolkingsgroei was buitenproportioneel en de agrarische en industriële produktie was sterk gedaald. De meeste goederen waren op de bon en veel mensen leefden op een absoluut bestaansminimum.

De hervormingen van Deng, die tijdens het historische congres van de communistische partij in 1978 werden gelanceerd, kwamen voort uit pure wanhoop en de schreeuwende behoefte aan een rationele politiek. Deng geloofde dat marktkrachten in plaats van klassenstrijd het toegangskaartje zouden zijn tot de socialistische utopie. De boeren kregen de opdracht politieke discussie te laten rusten en zich te concentreren op de agrarische produktie. De volkscommunes werden ontbonden, en de graanproduktie, die de boeren nu deels mochten verkopen op de vrije markt, steeg van 300 miljoen ton in 1978, naar 480 miljoen ton het afgelopen jaar.

Het overschot van boerenarbeiders werd door Deng aangemaand plattelandsindustrieën op te zetten, die, onder het motto 'verlaat het land, maar niet het dorp' een groot succes werden en inmiddels de belangrijkste motor zijn van China's economisch succes.

Tegelijkertijd saneerde Deng de door Mao nagelaten noodlijdende economie met behulp van een zogenaamde Speciale Economische Zone, in Shenzhen, aan de grens met Hongkong. Daar golden belastingvoordelen en konden buitenlandse investeerders gebruik maken van goedkope arbeid. Shenzhen, dat later werd gevolgd door vier andere zones, bleek een groot succes en het inspirerend voorbeeld voor China's huidige economie.

Deng was verantwoordelijk voor wat misschien wel de belangrijkste periode is geweest van China's maatschappelijke ontwikkeling in de afgelopen 4.000 jaar; de overgang van een overwegend agrarische samenleving naar een in toenemende mate stedelijke- en industriële samenleving. China's economische groei was afgelopen bijna 10 procent, de buitenlandse handel was in 1996 290 miljard dollar, 270 miljard dollar meer dan in 1978, en op het platteland was het inkomen per hoofd van de bevolking vorig jaar 430 gulden, in vergelijking met 70 gulden negentien jaar gelden.

De angst dat het huidige leiderschap van China grote economische concessies zal doen, is bij een dergelijk succesverhaal afwezig. Ideologische discussies tussen 'linkse' en 'rechtse' politici behoren goeddeels tot het verleden en binnen de politieke top in Peking bestaat een vrijwel algehele overeenstemming dat het voortbestaan van het huidige regime niet meer afhankelijk is van de ideologie. Dat wat China's toekomst bepaalt, zo gelooft men, heeft hoofdzakelijk te maken met de economische continuïteit in het land. De discussie die momenteel in China speelt gaat derhalve niet over de vraag of economische hervormingen noodzakelijk zijn, maar hoe die hervormingen in de praktijk dienen te worden gebracht. President Jiang Zemin, liet daarover in zijn eerste commentaar na de dood van Deng geen enkele twijfel bestaan: “We bouwen voort op Dengs theorie (..) We zullen China's economie nog beter organiseren, en een grotere bijdrage leveren tot de wereldvrede (..) en vooruitgang.”