Belangrijke hervorming; Nieuwe wet in Japan staat holdings toe

TOKIO, 25 FEBR. Het vijftig jaar oude verbod op de vorming van houdstermaatschappijen in Japan komt in 1998 te vervallen. De regeringspartij LDP heeft daarover vanmorgen een akkoord gesloten met twee kleinere partijen die de regering parlementaire steun geven.

Houdstermaatschappijen, ondernemingen zonder eigen activiteit die de aandelen controleren van andere bedrijven, werden in 1947 onder druk van de Amerikaanse bezetters verboden om te voorkomen dat er te grote machtsconcentraties zouden ontstaan. Met het verbod werden de grote conglomeraten, bekend als 'zaibatsu' opgebroken, die ervan werden beschuldigd concurrentie te verhinderen en zelfs bij te dragen aan het Japanse militairisme.

Het bedrijfsleven in Japan ervaart het verbod al jaren als een belemmering voor de noodzakelijke herstructurering van de economie. Maar een besluit tot opheffing is lang opgehouden door verzet van de vakbonden en de Fair Trade Commission (FTC), de instantie die toeziet op de concurrentieverhoudingen. Het wetsvoorstel maakt onderdeel uit van plannen van de Japanse regering om de financiële markt van Tokio in het jaar 2001 net zo concurrerend te maken als die in Londen en New York. Herstructurering van financiële instellingen wordt gemakkelijker.

Volgens de vanmorgen gemaakte afspraken zullen er wel enkele beperkingen gaan gelden. Voor de omvang van de activa van houdstermaatschappijen is een maximum vastgesteld van 15 biljoen yen (230 miljard gulden). Verder krijgt de FTC de bevoegdheid bedrijven die een houdstermaatschappij willen vormen te onderwerpen aan een onderzoek en goedkeuring te weigeren als een te sterke concentratie van economische macht ontstaat.

Het betreffende wetsontwerp gaat op 11 maart naar de Diet, het Japanse parlement. De nieuwe regeling moet op 1 januari 1998 van kracht worden.

Veel Japanse ondernemingen hebben al een groot aantal dochtermaatschappijen. Maar de opheffing van het verbod maakt het mogelijk ondernemingen op te richten die louter bestaan, omdat ze aandelen in andere ondernemingen hebben. Zulke houdstermaatschappijen maken het ondernemingen mogelijk een flexibeler beleid te voeren, bijvoorbeeld door verschillende loonschalen binnen een groep te hanteren. Bovendien wordt het gemakkelijker onrendabele activiteiten te sluiten. Vakbonden vrezen dat hun onderhandelingsmacht afneemt, indien een onderneming wordt opgesplitst in een holding en dochterbedrijven. (Reuter, AFP, KRF)