Zwammen met een landschapsfilosoof

De Gids nr.2. febr. 1997. Uitg. Meulenhoff. Prijs ƒ 16,90.

Ha fijn, een themanummer over wandelen, is de gedachte die het eerst opkomt bij het zien van het februarinummer van De Gids. Er wordt zo veel en zo prachtig gewandeld in de Nederlandse literatuur en van een Gids waarvan de titel luidt 'Wandelen in of over Nederland' verwacht je daar in een originele of verrassende vorm iets van terug te vinden.

De wandelaar, de echte zowel als de literaire wandelaar die liefst met Nescio op de bank ligt, zoekt in de vier essays, de twee korte verhalen en de gedichten van Kees Ouwens en anderen echter tevergeefs naar mooie routes en inspirerende beschrijvingen daarvan.

Waarom dan die veelbelovende titel? Ik vrees dat die als vlag op de spreekwoordelijke modderschuit moet dienen, want in de kolommen van deze 'wandelgids' wordt eindeloos door polemische blubber gebaggerd. Al sinds een jaar wordt er in De Gids een polemiek gevoerd tussen de filosofen Ton Lemaire en Hans Achterhuis. Lemaire, landschapsfilosoof en milieuactivist van het eerste uur, is van mening dat het Nederlandse landschap sinds de Tweede Wereldoorlog in de kern is aangetast door de techniek. Volgens hem raakt de harmonie tussen mens en omgeving verbroken. Achterhuis, die enkele jaren milieufilosofie doceerde in Wageningen en nu hoogleraar filosofie van de techniek aan de Universiteit Twente is, vindt Lemaire een defaitist. Hij ziet juist veel in de mogelijkheden van de technologische cultuur waarin we leven.

Voor deze samenvatting van het filosofisch discours van Lemaire en Achterhuis (in deze Gids-aflevering respectievelijk vertegenwoordigd met de essays 'Landschappelijke optimisme' en 'Zwammen in de natuur') baseer ik me op een bijdrage van de bioloog C.F. van Beusekom. Volgens hem is 'de pessimistische visie-Lemaire juist' en 'de optimistische van Achterhuis ongeldig'. Beusekom, die ondermeer adjunct-directeur van Staatsbosbeheer en staffunctionaris bij de directie Natuurbeheer van het ministerie van Landbouw en Visserij was, schrijft met groot gezag en in een aanzienlijk toegankelijker stijl dan Lemaire en Achterhuis.

Bovendien - en dat is interessant om te lezen - analyseert hij de manier van polemiseren van Achterhuis. De Duitsers hebben voor diens aanpak een passende term, schrijft hij: 'Karaktermord' (moderne Duitse spelling?). Hijzelf kan daar trouwens ook wat van. Zijn conclusie luidt: 'Achterhuis' pretentieuze essay is van inferieur allooi. Zijn feitelijk relaas is gezwets. Zijn citeertrant is manipulatie. Zijn ideeën zijn drogredenen. Hij neemt een loopje met de lezers. En dat alles over de rug van een collega. Kortom, een blamage'.

De Gids heeft die blamage echter wel afgedrukt en onwillekeurig vraag je je dan af in hoeverre deze kwalificaties ook terugslaan op het tijdschrift zelf. Voor dit nummer geldt in elk geval dat het essayistisch niveau weinig indrukwekkend is. Behalve de drie verhandelingen over het Nederlandse landschap bevat dit nummer een op hoge toon geschreven aanklacht van internist Sven Danner tegen 'de schrijvende, pratende en filmende pers die zich op ontoelaatbare wijze op de ziekte aids zou hebben gestort'. Het betoog heeft kop noch staart en laat zich dan ook niet samenvatten. Geen van de essays gaan over cultuur of literatuur en het lijkt erop dat de redactie ook geen hoge stilistische eisen stelt aan de auteurs.

Dit dreigt een wat humeurig stukje te worden, want ook de literaire bijdragen konden mij niet behagen. 'De veer van Kiphart' van Huub Beurskens, is een verhaal over een handelsreiziger met een praecoxprobleem (voortijdige zaadlozing). Hij lost dit op met een kippenveer, waarmee hij zijn seksuele partners in Indianenmeisjes verandert. Nou ja, zo heeft iedereen wat.

Omvattender, mysterieuzer en ambitieuzer is het verhaal 'Teresa' van Johan de Boose over een verloren gegane geliefde in het Poolse provinciestadje Swidnik onder de rook van het concentratiekamp Majdanek. Tussen mooie beelden en knappe sfeerschilderingen staan helaas teveel lelijke zinnen.

De poëzieliefhebber komt, zoals gebruikelijk in De Gids, wel aan zijn trekken. Behalve zeven gedichten van Kees Ouwens (waaronder het gave 'Conclave'), publiceren ook de jongere dichters Marc Kregting (1965) en Peter Theunynck (1960) verzen in dit nummer.