Van Harte

“De verregaande politieke naïviteit en sociale onkunde van de Nederlandse intelligentsia - tijdens de oorlog bij herhaling op zo funeste, want den bezetter onbewust steunende wijze gebleken - kon en mocht niet blijven voortbestaan.” Deze woorden van de historicus Jan Romein vormden de aanleiding om na de oorlog de faculteit der politieke en sociaal-culturele wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam in het leven te roepen.

De 'zevende' zoals hij snel werd genoemd bleek kort na haar oprichting een grote aantrekkingskracht uit te oefenen op een nieuwe generatie studenten. De studie was breed opgezet, er moest hard worden gewerkt, maar de maatschappelijke beloning was navenant: de eerste lichtingen afgestudeerden vonden moeiteloos een baan.

Volgend jaar januari wordt de oprichting van deze faculteit met een symposium, een borrel, een groot feest en een publicatie gevierd. Een scala van wetenschappers heeft reeds medewerking toegezegd, aldus de vooraankondiging die in groten getale is verstuurd. Daarin valt ook te lezen dat dit studiejaar door studenten in werkgroepen onderzoek wordt verricht naar de geschiedenis van de faculteit. In de vooraankondiging ontbreken de namen van onder anderen de oud-hoogleraren Baehr en Daudt. De eerste werd in de tweede helft van de jaren zeventig weggepest omdat hij weigerde zijn colleges internationale betrekkingen te voorzien van een marxistische invalshoek. Daudt voerde een lange strijd voor het behoud van een breed opgezette studie en tegen de opsplitsing in vakgroepen waarin je ook nog kon afstuderen. Hij bleef, in een vrijwel geïsoleerde positie, tot zijn emeritaat aan de faculteit verbonden. Navraag leert dat beiden desondanks een bijdrage zullen leveren aan de bundel met opstellen over de eerste generatie hoogleraren die 'de zevende' een gezicht hebben gegeven, zoals de econoom Kleerekoper en de historicus Presser.

In de vooraankondiging wordt ook niet expliciet vermeld dat onderzoek zal worden verricht naar de faits et gestes van de groep wetenschappers die begin jaren zeventig bij de vakgroep politicologie werd aangetrokken en die in rap tempo hun visie op de wetenschap tot verplicht heil voor iedereen verhief. Zij noemden zich het 'Friedrich collectief'. Hun wetenschapsvisie kwam er niet op neer dat feiten heilig waren, maar vooral hùn blik op de feiten. Van een onbevangen en integere wetenschapsbeoefening was nauwelijks sprake - daarvoor moest je overstappen naar de 'vakgroep Daudt' maar dat stond gelijk aan sociale uitstoting.

Studenten die zich in de jaren zeventig aanmeldden wisten dankzij het 'Friedrich collectief' na hun studie alles over het reëel bestaande en volgens sommigen noodzakelijke socialisme. Over het ten diepste moorddadige karakter van het communisme annex socialisme werd niet gerept. Wel over produktiekrachten en produktieverhoudingen, over de klassenstrijd en over het fascisme, want dat moest bestreden worden. Toen het politieke tij keerde schminkten deze voormalige docenten zich af en pasten zij zich snel aan aan de inzichten van de nieuwe tijd. Er zijn nooit stemmen opgegaan om docenten binnen de zevende faculteit die willens en wetens de wetenschap hebben misbruikt voor links-ideologische doeleinden in het openbaar te horen en een afstraffing te geven. Het zou niet onverdiend zijn geweest, want zelden is een generatie 'wetenschappers' zo smadelijk omgegaan met de erfenis van Jan Romein.