Rudy uit Sri Lanka

Rome. “Gelukkig Nieuwjaar”, zei ik, terwijl ik in de bus plaatsnam op de stoel naast hem. Hij glimlachte, en knikte.

Hij zag er vriendelijk uit. Een slank gezicht met donkere krulletjes. Zijn huidskleur had iets onmiskenbaars. Koffiebruin, met een doorschijnende zweem van zwart. Toch vroeg ik hem waar hij vandaan kwam.

“Sri Lanka”, zei hij, even zacht als bescheiden, “Tamil.”

Ik kwam net uit het vliegtuig, en het oog van de Tamil viel op de Hollandse krant in mijn hand. Van daaruit schetterde het van de 'Rudy's uit Assen' en andere Elfstedenheroïek. Ik liet mijn buitenlandse buurman de foto's zien en vertelde hem over 'De Ziel van Nederland', die als een soort 'Komeet van Halley' slechts eens in de zoveel jaar zichtbaar was.

De jonge man naast me keek me nog even bescheiden aan, en zei, nog even zacht, dat hij er iets van gezien had op de Italiaanse televisie. Ik vroeg hem of hij van onze Elfstedengekte iets begrepen had. De jonge man dacht even na. Toen zei hij, voorzichtig: “Het schijnt een historische oorsprong te hebben.”

Zelf bleek hij in Rome te zijn terechtgekomen na een iets andere stedentocht. Eerst was hij met zijn familie een paar keer heen en weer verhuisd tussen Jaffna, in het noorden, en steden in het zuiden, al naar gelang de moeizame situatie in Sri Lanka dat verlangde.

Toen ze in het zuiden woonden en zijn vader eens naar Jaffna moest, viel dat samen met de komst van een Indiase vredesmacht. Dat leger interneerde alle in Jaffna aanwezige Tamil-mannen in een kamp buiten de stad. Eenmaal in dat kamp kregen ze verlof om in de stad nog het hoogst nodige te regelen. Drie uur kregen ze ervoor, het heen en terug lopen inbegrepen.

Toen ze in het zuiden niets meer van hun vader hoorden, ging de oudste zoon, de jonge man naast me, naar het noorden om hem te zoeken.

Hij vond hem. Langs de weg naar het kamp. Daar lag zijn vader, tussen een rij andere mannen. Na vijf dagen zag hij er al vrijwel onherkenbaar uit. Dankzij zijn bril en een ring aan een vinger wist de zoon echter zeker dat het zijn vader was. Misschien was zijn vader maar net te laat gekomen. Zeker is, dat alles wat de zoon bij die aanblik voelde voor hem slechts bitterzoet vergolden werd toen de Indiase leider Rajiv Gandhi op zijn beurt (door een Tamil) om het leven werd gebracht.

Daar, langs de kant van de weg, cremeerde de zoon zijn vader. Alleen. Dat ritueel doordrong hem er nog sterker van dat hij nu de eerstverantwoordelijke voor zijn familie was. Hij zou zich aan kunnen sluiten bij de rebellen, de Tamil Tijgers, maar dat zou vroeg of laat zijn dood betekenen. Nu zijn vader dood was, moest hij zelf leven om zijn moeder en zijn jongere broers te kunnen onderhouden.

Daar hij ook zonder een 'Tijger' te zijn voor zijn leven vreesde, besloot hij te emigreren naar Canada, een land dat Tamils een gastvrij welkom bood. Een 'agent' kon dat voor hem verzorgen. Hij betaalde de agent de tegenwaarde van ruim zesduizend gulden. Voor dat bedrag vond hij zichzelf enige tijd later terug in een klein kamertje, met vele andere vluchtelingen opeengepakt. Een kamertje in Moskou.

De hoop op Canada was vervlogen, maar een andere 'agent' kon, voor nog eens ruim drieduizend gulden, een transport verzorgen naar Italië. Daar zit hij nu, al drie jaar. In dienst van een vermogende Italiaan, in een fraaie buurt van Rome. Werk: van 's ochtends zes tot 's avonds acht, 's zondags een halve dag vrij. Vergoeding: 700.000 lire, iets meer dan zevenhonderd gulden per maand. Daarvan zendt hij zoveel mogelijk naar zijn moeder. Maar, zegt hij, als de Singalese postbeambte merkt dat zijn moeder geld uit het buitenland krijgt, volgt steevast een bezoek van Singalese militairen die alleen tegen betaling weer willen vertrekken.

De jonge Tamil schetst voor mij de historische oorsprong van de huidige situatie in zijn land, zoals hij dat ziet. Ironisch genoeg, meent hij dat de huidige oorlog niet zou zijn ontstaan als één van de vroegere koloniale mogendheden - Portugal, Nederland of Engeland - er nog zou zijn geweest. Die mogendheden hadden, als dominante derde, een lokaal evenwicht kunnen bewaren.

Op zijn vrije zondagmiddag weet hij niet zo goed wat hij moet doen. In hun vrije tijd komen Sri-Lankese lotgenoten weliswaar geregeld samen, maar zijn dan vooral samen treurig. En Italianen willen niet veel met hem te maken hebben, vooral niet als ze horen hoe laag zijn positie is. Soms, in de bus, wordt hij uitgescholden om zijn huidskleur, 'maar niet te vaak'.

Alsnog naar Canada gaan is moeilijk. Nu hij eenmaal illegaal is blijft hij afhankelijk van 'agenten', een mensensoort waarin hij weinig vertrouwen meer heeft.

In ieder geval is hij wel net met vakantie geweest. Dat kwam doordat zijn 'baas' er zelf niet was en hem had gezegd maar ergens anders naar toe te gaan. Ik moest bekennen dat ik wel wat nieuwsgierig was naar die baas, maar zijn 'knecht' zei niet te weten wat die precies deed voor de kost.

“Na drie jaar...” liet ik me ontvallen, zonder aan te willen dringen.

“Ik mag het niet zeggen”, preciseerde de Tamil nu, “hij heeft me laten beloven aan niemand te zullen vertellen wat hij doet. En wat ik beloof, dat doe ik.”

Ik moest uitstappen. De Tamil glimlachte weer, en schudde me de hand. Hij ging verder, naar de baas. Daar ging... Ik had hem niet willen vragen hoe hij heette. Hij had toch een valse naam. Ik noem hem maar 'Rudy uit Sri Lanka'.

Rudy in Rome. Dat De Eeuwige Stad voor sommigen maar tijdelijk mag zijn.